29922 |
handlangeren |
dienen:
dinǝ (K353p Tessenderlo),
metserdienen:
mɛtsǝrdīnǝ (K353p Tessenderlo)
|
De metselaar helpen bij zijn werkzaamheden door onder meer metselstenen aan te dragen en mortel klaar te maken. [N 30, 2b; N 30, 2c; monogr.]
II-9
|
17662 |
handpalm |
binnenste, het -:
benəste (K353p Tessenderlo),
palm:
paləm (K353p Tessenderlo)
|
palm van de hand [N 10 (1961)]
III-1-1
|
31440 |
handschaar |
blikscheer:
blɛksxęjǝr (K353p Tessenderlo),
ijzerscheer:
ē̜zǝrsxęjǝr (K353p Tessenderlo),
plaatscheer:
plǭtsxęjǝr (K353p Tessenderlo)
|
In het algemeen een handschaar voor het knippen van plaatmateriaal, banden, draad, etc waarmee vooral een rechte snede wordt gemaakt. Zie ook het lemma "handschaar voor boogvormige sneden". Voor zover door de informant opgegeven, wordt achter de betreffende plaatscode met behulp van een letter verwezen naar de verschillende scharen uit afb. 137. [N 33, 244; N 33, 265; N 64, 3a; N 66, 4a; monogr.]
II-11
|
18256 |
handschoen |
handschoen:
ha:nsxu.n (K353p Tessenderlo),
handschoenen (K353p Tessenderlo),
hansxun - hansxunən (K353p Tessenderlo),
want:
waant (K353p Tessenderlo),
want (K353p Tessenderlo),
’n paoër waanten (K353p Tessenderlo)
|
De handschoen die ter bescherming van de handen wordt aangetrokken bij het behandelen van de bijen. [N 63, 75a; monogr.] || een paar handschoenen [ZND 35 (1941)] || handschoen [ZND 35 (1941)] || handschoen - handschoenen [ZND 01 (1922)], [ZND m] || handschoenen, met vier vingers en een duim [vingerwante, haase, hejse] [N 23 (1964)]
II-6, III-1-3
|
18711 |
handschoen zonder vingers |
mofje:
moefkes (K353p Tessenderlo)
|
wanten of handschoenen die de vingers onbedekt laten [meténtjes] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
32662 |
handvat aan de ploegstaart |
hand:
hant (K353p Tessenderlo),
hãnt (K353p Tessenderlo),
handvat:
hant˲vat (K353p Tessenderlo)
|
De staart van een voetploeg, een radploeg en de zgn. losse karploeg is voorzien van of eindigt in een handvat, dat de ploeger stevig vasthoudt om te bereiken dat de ploeg de voor goed afsnijdt en niet uit de voor schiet. Aan dat handvat trekt hij de ploeg aan het einde van iedere voor om en houdt hij de (achter)ploeg vast wanneer deze in de sleepstand over de wendakker getrokken wordt. De latere vaste karploegen hebben van achteren ook een handvat. Maar omdat dergelijke ploegen niet echt bestuurd hoeven te worden, is dit handvat vooral dienstig bij het keren en het op nieuw inzetten van de ploeg. [N 11, 31.I.k; N 11A, 84i; JG 1a + 1b; monogr.]
I-1
|
31822 |
handvat van de schaaf |
handvat:
hãnt˲vat (K353p Tessenderlo)
|
Het handvat dat, vooral bij langere houtschaven zoals de reischaaf, boven op het schaafblok bevestigd is. Zie ook afb. 35. [N 53, 55a]
II-12
|
29938 |
handvat van de troffel |
steel:
stēl (K353p Tessenderlo)
|
Het handvat van de troffel kan in hout of kunststof zijn uitgevoerd. [N 30, 7c; monogr.]
II-9
|
31209 |
handvatring |
trekband:
trɛk˱bãnt (K353p Tessenderlo)
|
Kleine metalen band aan het einde van het handvat van een werktuig om het splijten van het hout te verhinderen. [N 33, 251]
II-11
|
32872 |
handvatten |
sleeuwen:
slīu̯ǝ (K353p Tessenderlo)
|
Beide handvatten van de steel van de zeis te zamen genomen. Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf en de toelichtingen bij de lemma''s ''steel van de zeis'', ''bovenste handvat'' en ''onderste handvat''. De opgaven moeten worden gelezen als meervouden of collectiva. [N 18, 67 b en c add.; JG 2c; A 14, 5; L 45, 5]
I-3
|