24422 |
meelworm, larve van de meeltor |
meelworm:
meelworm (K353p Tessenderlo)
|
meeltor-larve, wormpje dat in (oude) meelvoorraden voorkomt [meelworm] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
25524 |
meelzeef |
kaar:
kǫǝr (K353p Tessenderlo)
|
Handwerktuig waarmee men de grovere bestanddelen uit het meel kan zeven. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømeelŋ- het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 38b; N 18, 136; JG 1c; JG 2c; l 48, 35II; Lu 2, 35II; Grof 256; monogr.; JG 1b add.]
II-3
|
26061 |
meelzolder |
maalzolder:
mǭlzǫldǝr (K353p Tessenderlo)
|
De verdieping van de windmolen waar het meel wordt opgevangen. De meelzolder bevindt zich doorgaans onder de steenzolder. Het woordtype eerste zolder (l 265c) is van toepassing op de ɛmeelzolderɛ van een geïmporteerde Zaanse molen. Naast de steenzolder en de meelzolder is er in deze molen nog een derde zolder, namelijk die in de kop waar zich as en rondsel bevinden. Zie ook het lemma ɛgraanzolderɛ.' [N O, 27c; A 42A, 2; monogr.]
II-3
|
32759 |
meer dan een spade diep spitten |
anderhalve schup (graven):
ǫndǝrhalǝf sxøp (K353p Tessenderlo),
een schup onderuit graven:
ǝn sxøp ǫndǝrø̜t ˲grǭvǝ (K353p Tessenderlo),
mee de hakslag losgraven:
mē dǝn hakslax lǫs˲grǭvǝ (K353p Tessenderlo),
twee schuppen (graven):
twii̯ǝ sxøpǝ (K353p Tessenderlo)
|
Om de ondergrond los te maken of naar boven te halen, moet men dieper spitten dan normaal. Men kan dan bij het graven van een voor op elke "bovenste" steek een diepere steek laten volgen, ofwel een gewone voor spitten om deze vervolgens dieper uit te steken. [N 11, 66; N 11A, 148c + d; N 27, 10a add.]
I-1
|
34229 |
meer melk gaan geven |
vermelken:
vprmɛlǝkǝ (K353p Tessenderlo)
|
[N 3A, 68]
I-11
|
20407 |
meerderjarig |
meerderjarig:
znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;
meerderjoarig (K353p Tessenderlo, ...
K353p Tessenderlo,
K353p Tessenderlo),
möddərjaorich (K353p Tessenderlo, ...
K353p Tessenderlo,
K353p Tessenderlo)
|
meerderjarig [ZND 01u (1924)] || meerderjarig (boven de 21 jaar) [ZND 01 (1922)] || meerderjarig ; hij is - (boven de 21 jaar) [ZND 31 (1939)]
III-2-2
|
23583 |
meerstemmige mis |
meerstemmige mis:
miejerstémmege mis (K353p Tessenderlo)
|
Een meerstemmige mis, muziekmis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
21273 |
meester |
meester:
maestər (K353p Tessenderlo)
|
meester [ZND 01 (1922)]
III-3-1
|
31342 |
meetlat, duimstok |
maatlat:
mǭtlat (K353p Tessenderlo)
|
Een in centimeters en/of duimen (inches) verdeelde maatstok van hout of metaal. Het woordtype zollstock (Q 116, Q 121c) duidt een vouwbare meetlat ter lengte van een meter of meer aan die men in de broekzak kan opbergen. Zie ook afb. 74. [N 33, 263; N 64, 84; N 66, 3; monogr.]
II-11
|
28868 |
meetlint |
centimeter:
sɛ̃ntimēʔǝr (K353p Tessenderlo),
sɛ̃nʔimēʔǝr (K353p Tessenderlo),
lintmeter:
lintmeter (K353p Tessenderlo)
|
Een in centimeters verdeeld lint om te meten. [N 53, 186a] || Een oprolbaar ± 150 cm lang meetlint, vervaardigd van linnen en inwendig van koperdraad voorzien om het rekken of krimpen tegen te gaan (Gerritse, pag. 21). Zie afb. 2. [N 59, 2; N 62, 69]
II-12, II-7
|