32501 |
vlechten van de bodem |
bodem luiken:
bōm lǫwǝʔǝn (K353p Tessenderlo)
|
Het vlechten van de bodem, waarbij de tenen tussen de bodemstekken door worden gehaald. Zie ook afb. 271. [N 40, 47; monogr.]
II-12
|
32530 |
vlechten van het binnendeksel |
vitsen:
vetsǝn (K353p Tessenderlo)
|
Het aanelkaar vlechten van de stekken van het binnendeksel. [N 40, 90]
II-12
|
32509 |
vlechthoepel |
ring:
reŋk (K353p Tessenderlo)
|
De hoepel die de rechtopstaande wissen voorlopig bijelkaar houdt. Het omdoen van de hoepel wordt in Neeritter (L 321) bijeenbinden (bęjęjnbenjǝ) genoemd. [N 40, 53]
II-12
|
30183 |
vlechtlatten |
vitsenlatten:
vetsǝlatǝ (K353p Tessenderlo)
|
Latten die op korte afstand van elkaar verticaal tussen de regels bevestigd worden. Door de latten worden vervolgens de twijgen gevlochten. [N 4A, 53a; N 31, 45d; Vld]
II-9
|
28698 |
vlechtring |
naadband:
nǭtbãǝnt (K353p Tessenderlo)
|
Ring of huls die men bij het vlechten rond de bundel stro of buntgras schuift. Hiermee wordt deze bundel op gelijke dikte gehouden. Voorheen werd de vlechtring van het dikste gedeelte van een koehoorn gezaagd of van een bot of mergpijp gehaald. Tegenwoordig hanteert men een buisje van metaal, een stukje aluminium of PVC. De wijdte van een vlechtring is afhankelijk van de dikte van het bundeltje stro of buntgras en van de fijn- of grofheid van het vlechtwerk. [N 40, 126]
II-6
|
30184 |
vlechttwijgen |
vitsel:
vetsǝl (K353p Tessenderlo),
vitsen:
vetsǝ (K353p Tessenderlo)
|
De twijgen die horizontaal door de vlechtlatten worden gevlochten. [N 4A, 53b; N 31, 45d; monogr.; div.]
II-9
|
32515 |
vlechtwerk van de wand |
luikwerk:
lǫwǝjkwɛrǝk (K353p Tessenderlo)
|
Het vlechtwerk van de zijkant, boven de onderste rand. Het woordtype sleeuwgang uit Maastricht (Q 95) is een benaming voor het maken van grof vlechtwerk. Zie ook het woordtype sleeuwen in het lemma ɛmanden makenɛ.' [N 40, 63]
II-12
|
24457 |
vleermuis |
vlerenmuis:
flīrəmoͅəs (K353p Tessenderlo)
|
vleermuis [ZND 08 (1925)]
III-4-2
|
20944 |
vlees |
vlees:
fliəs (K353p Tessenderlo)
|
vleesch [ZND 07 (1924)]
III-2-3
|
25446 |
vlees conserveren |
zouten:
zø̜tn (K353p Tessenderlo)
|
Meestal gebeurt dit conserveren door het vlees te zouten, te drogen of te roken, waardoor het vocht uit het vlees trekt. Moderner is de methode om het vlees in te vriezen. De respondent van L 413 vermeldt dat het vlees even wordt rondgedraaid in hete azijn. [N 28, 100; L 8, 128b; monogr.]
II-1
|