| 19855 |
een huis huren |
huren:
heure (L374p Thorn),
hø̄rə (L374p Thorn)
|
een huis huren [DC 35 (1963)] || huren [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 21911 |
een jong pas uit het ei |
kaal mak:
kaal mak (L374p Thorn)
|
een jong pas uit het ei? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 20508 |
een kater hebben |
een kater hebben:
eine kááter höbbe (L374p Thorn),
eine kááter həbbe (L374p Thorn),
hè haaij eine kater (L374p Thorn)
|
kater hebben; Hoe noemt U: Zich niet lekker voelen de dag na een flinke drinkpartij (een kater hebben) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 27755 |
een koollaag meten |
uitmeten:
utmę̄tǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Diktebepaling van de kolenlaag door meting. [N 95, 190; N 95, 191]
II-5
|
| 27923 |
een kophout plaatsen |
(een kophout) zetten:
zętǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Zwartberg, Waterschei])
|
Een voorlopige ondersteuning plaatsen tijdens de winning van een koollaag. Zie voor het object "kophout", "kopstijl" etc. het lemma Kophout. [N 95, 492; N 95, 291]
II-5
|
| 27800 |
een krijtstreep trekken |
(een) krijtstreep trekken:
ęjn krītstrēp trękǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Winterslag, Waterschei])
|
De richting in een mijngang werd op de kap aangegeven door het maken van een ±1 cm brede krijtstreep. De plaats waar deze krijtstreep moest worden gemaakt, was aangegeven op de uitbouwschets. Belangrijk was dat de krijtstreep haaks op de voet van de kap werd aangebracht. Nooit mocht men kappen op het oog in de richting leggen (MBK II pag. 42). [N 95, 855]
II-5
|
| 23755 |
een kruisje geven |
een nachtkruisje geven:
nachtkruutske gaeve (L374p Thorn)
|
Een kind voor het slapen gaan met de duim een kruisje geven op het voorhoofd. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23707 |
een kruisje op het brood maken |
brood zengelen:
broeed zaengele (L374p Thorn)
|
Het gebruik om een brood met het mes te bekruisen, voordat men het aansnijdt; men maakte met het broodmes een kruisje aan de onderkant van het brood [n kruuske ónder de mik maake?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23706 |
een kruisteken maken |
n kruus maake:
ei kruutsteiken maken (L374p Thorn),
zich zaengele (L374p Thorn),
zich zèèngele (L374p Thorn)
|
Een kruisteken maken/slaan, zich bekruisen, zich zegenen [zich bekruuse [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17887 |
een kuil graven |
een gat maken:
ei gaat make (L374p Thorn),
een kuil graven:
ein koel graave (L374p Thorn)
|
kuil, Een ~ maken (dappen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|