| 20764 |
komijnekaas |
komijnekaas:
kommienekiees (L374p Thorn)
|
Komijnekaas (kantert, kemuuniekaas?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18835 |
komisch |
komisch:
komis (L374p Thorn)
|
lachwekkend omdat de tegenstelling tussen het gepretendeerde en het werkelijke doorzien wordt [komisch, vies] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18826 |
kommervol (zijn): kommer |
kommervol:
kommervol (L374p Thorn),
temptatie:
temtasie (L374p Thorn)
|
vol leed en zorg [diepzinnig, kommervol] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20005 |
konijn |
konijn:
knīēn (L374p Thorn)
|
konijn [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 24322 |
konijnenhol |
hol:
WLD
hol (L374p Thorn)
|
Hoe noemt u het in de grond uitgegraven verblijf van een konijn (kneut, pijp, potje) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 21266 |
koning |
koning:
ky.əniŋ (L374p Thorn)
|
koning [RND]
III-3-1
|
| 22518 |
koning en vrouw van een kleur in een hand |
stuk:
støͅk (L374p Thorn)
|
Koning en vrouw van één kleur in één hand [stuk]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 28400 |
koningin |
koningin:
kȳneŋen (L374p Thorn),
kø̄neŋen (L374p Thorn),
moer:
mōr (L374p Thorn)
|
Het enige volmaakt vrouwelijke dier in een bijenkolonie. Geslachtelijk is de koningin gelijk aan de werkbij, maar in het larvestadium is de aanstaande koningin gevoed met hoogwaardige voedingsstoffen, de koninginnegelei, en de werkbij niet. In ieder volk is slechts één koningin aanwezig. Haar enige taak bestaat in het leggen van eieren. Zij kan bevruchte of onbevruchte eieren leggen. Uit de bevruchte eieren ontstaan werkbijen of eventueel koninginnen, uit de onbevruchte komen de darren. Een koningin kan een leeftijd van vier à vijf jaar bereiken. Is zij niet meer in staat eieren te leggen en daardoor nutteloos geworden voor de kolonie, dan wordt de oude koningin vervangen door een nieuwe. [N 63, 12d; S 3, L 1a-m; JG 1a + 1b; JG 2b-5, 12; R 3, 42; Ge 37, 37; A 9, 3; monogr.]
II-6
|
| 23714 |
koningin des hemels |
angelusgebed:
angelusgebed (L374p Thorn)
|
Het "Koningin des hemels"of "Regina caeli", het Angelus-gebed in de Paastijd. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 28486 |
koninginnebroed |
koninginnecellen:
kø̄neŋenǝsɛlǝ (L374p Thorn),
moerdoppen:
mōrdø̜p (L374p Thorn)
|
De cellen met daarin de larven, waaruit later de koninginnen ontstaan. [N 63, 24c]
II-6
|