| 18071 |
kroep |
kroep:
kroep (L374p Thorn),
krop (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
Kroep: ontsteking van het strottehoofd en de luchtpijp die door afzettingen op het slijmvlies gevaar van verstikking met zich meebrengt (kroep, krop, pip). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17579 |
kroeshaar |
gekroezeld haar:
gekroezeldj haor (L374p Thorn),
kroezelig haar:
kroezelig haor (L374p Thorn)
|
kroeshaar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20120 |
krols |
loops:
luips (L374p Thorn),
løͅi̯ps (L374p Thorn)
|
loops, geslachtsdriftig ve kat [N 19 (1963)], [N C (1962)]
III-2-1
|
| 25010 |
krom, met bochten |
krom:
kròmp (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
krómp (L374p Thorn),
krômp (L374p Thorn)
|
afwijkend van een rechte lijn met een of meer bochten [krom, kromp, slom] [N 91 (1982)] || krom [SGV (1914)] || krom (kromp, slom) [DC 35 (1963)]
III-4-4
|
| 25011 |
krommen |
krommen:
krumme (L374p Thorn)
|
krommen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 17894 |
krommen, ombuigen |
krom (bn.):
krŏŏmp (L374p Thorn),
krom maken:
kromp make (L374p Thorn),
krommen:
kromme (L374p Thorn),
krumme (L374p Thorn),
ombuigen:
òmbuige (L374p Thorn)
|
krommen [SGV (1914)] || Krommen: een kromme, gebogen vorm doen aannemen (krommen, buigen, draaien). [N 84 (1981)] || ombuigen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 23381 |
kroonluchter |
kroonluchter:
kroeënluchter (L374p Thorn),
luchter:
luchter (L374p Thorn)
|
Een veelarmige lamp in de kerk, luchter, kroonluchter. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 26454 |
kropgat |
kropgat:
krǫp˲gāt (L374p Thorn)
|
Het gat dat zich midden in de loper bevindt en waarin het te malen graan loopt. Kweern in het woordtype kweernoog (l 331) verwijst naar de in die plaats gebruikelijke term voor de handmolen. Zie het lemma ɛhandmolenɛ.' [N O, 18o; A 42A, 35; N D, 8; Sche 53; Vds 129; Jan 128; Coe 93; Grof 119; N O, 18h]
II-3
|
| 20591 |
kroppen, gezegd van voedsel |
blijven steken:
er is hum eine krop inne kèèl blieve stèke (L374p Thorn)
|
Hoe noemt U: In de slokdarm blijven steken, gezegd van een hap voedsel (kroppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26077 |
kruias, kruirad |
kruiwerk:
kryjwęrǝk (L374p Thorn)
|
Het wiel of de as onderaan de staart aan de buitenzijde van de molen, waarmee de molen of de molenkap met behulp van kettingen of touwen naar de wind gedraaid wordt. Zie ook afb. 21 en 23. Een aantal woordtypen is een pars pro toto. [N O, 30a; A 42A, 58; monogr.]
II-3
|