| 27160 |
lampenkamer |
lampenboede:
lampǝbut (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Domaniale]),
lampisterij/lampisterie:
lampestǝri (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
De ruimte waar men de mijnlampen onderhoudt en indien nodig repareert. [N 95, 241; monogr.; Vwo 467; Vwo 468]
II-5
|
| 19485 |
lampenpit |
kousje:
kousje
kuiske (L374p Thorn),
lemmettengaren:
katoen
leementjegaren (L374p Thorn),
oliepit:
oliepit (L374p Thorn),
wiek:
wēk (L374p Thorn)
|
lampepit [SGV (1914)] || lampepit van katoen in een petroleumlamp (limet, lemmet, lemment, lemmert) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 18164 |
lancet |
vlijm:
vlim (L374p Thorn)
|
Lancet: plat mesje met fijne punt en zeer scherpe snede, in de chirurgie gebruikt (vlim). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21145 |
landauer |
landauer:
landauer (L374p Thorn, ...
L374p Thorn,
L374p Thorn)
|
een vierwielig rijtuig voor vier personen met afzonderlijke beweegbare voor- en achterkap [landauer] [N 90 (1982)] || Vierwielig rijtuig voor vier personen met afzonderlijk neerklapbare voor- en achterkap. Tegenwoordig wordt het nog wel eens als bruidswagen gebruikt. De koetsier heeft een aparte bok. [N 101, 13; N G, 51; L 27, 33; monogr.]
I-13, III-3-1
|
| 33640 |
landerijen |
hof:
hoi̯f (L374p Thorn),
land:
lanjtj (L374p Thorn)
|
Het geheel van bebouwde akkers, weilanden en velden, behorend bij een boerderij. [N 6, 33a; N 5A, 76d; A 10, 3; A 11, 4; A 20, 1b; JG 1b, 1d; L 37, 11a; L 38, 23; L 44, 27; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 32822 |
landrol |
wel:
wɛl (L374p Thorn)
|
De vroeger houten, later ijzeren rol om aard-kluiten van geploegd land te breken, de akker vlak te maken, het zaad in de aarde vast te drukken, enz. Zie afb. 81 en 82. [JG 1a + 1b; N 11, 86; N 11A, 183 + 185; N J, 10 add.; N P, 20 add.; A 40, 9; monogr.]
I-2
|
| 24917 |
landstreek |
contrei:
kontreie (L374p Thorn),
streek:
in deze streek (L374p Thorn),
streek (L374p Thorn),
strēēk (L374p Thorn)
|
landstreek, gebied dat door bijv. tradities, landschap, taal enz een zekere eenheid vormt [contrei, streek, strom] [N 81 (1980)] || streek (in deze ~) [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33787 |
lang ruw haar rond buik en uier |
duivelshaar:
dȳvǝlshǭr (L374p Thorn)
|
Eerste haar dat een veulen verliest. [N 8, 23]
I-9
|
| 34329 |
lang varken |
lang varken:
laŋk vɛrkǝ (L374p Thorn)
|
Varken met een lange rug. [N 76, 20]
I-12
|
| 18286 |
lange broek |
lange boks:
n lang boks (L374p Thorn)
|
pantalon, lange broek [N 23 (1964)]
III-1-3
|