| 22749 |
leeuw |
leeuw:
leêw (L374p Thorn)
|
leeuw [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 20110 |
leeuwenbek |
leeuwenbek:
WLD
lĭĕwebekke (L374p Thorn),
leeuwenbekje:
idiosyncr.
liəwebekske (L374p Thorn)
|
Leeuwenbekje (antirrhinum majus). De onderste bladeren staan bijna altijd kruisgewijs, de bovenste verspreid. Grote (ruim 3 cm), verschillend gekleurde bloemen met korte, brede kelkbladeren. De bloemen staan in trossen aan de stengeltoppen (kalfssnuit, kn [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 33883 |
leewater |
leewater:
lęi̯wātǝr (L374p Thorn)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|
| 34067 |
lege eerste koe |
brul:
brøl (L374p Thorn),
guste koe:
gø̜stǝ [koe] (L374p Thorn)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 32995 |
lege maiskolf |
maïsafval:
męi̯šāfal (L374p Thorn)
|
Het lege vruchtbeginsel van de maïsplant; de kolf waar de maïskorrels van zijn afgehaald. Omschrijvingen zoals "lege kolf" zijn niet opgenomen. [N Q, 24]
I-4
|
| 28291 |
lege wagen |
lege wagen:
lęgǝ wāgǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Emma, Hendrik, Wilhelmina])
|
[N 95, 673a; monogr.]
II-5
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
(zachte k)
lègge (L374p Thorn)
|
leggen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 33409 |
legnest |
est:
ęst (L374p Thorn),
nest:
nęst (L374p Thorn)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
leie (L374p Thorn),
leiendak:
leijedaak (L374p Thorn)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34147 |
leiden |
laten dekken:
lǭtǝ dɛkǝ (L374p Thorn),
leiden:
lɛi̯ǝ (L374p Thorn)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|