| 24846 |
loof |
blader:
blajer (L374p Thorn),
WLD
blaajer (L374p Thorn),
loof:
louf (L374p Thorn),
ideosyncr.
lauf (L374p Thorn)
|
bladeren [SGV (1914)] || De bladeren van een boom samen (loof, lover). [N 82 (1981)] || loof [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
afbladen:
āfblāi̯ǝ (L374p Thorn)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|
| 30797 |
looi |
looi:
loǝj (L374p Thorn)
|
Looistof. Fijngemalen eikebast of run waarmee men leer bewerkt. [S; L 1a-m]
II-10
|
| 30795 |
looien |
looien:
loǝjǝ (L374p Thorn)
|
Het bereiden van leer. Dierehuiden die bepaalde voorbereidingen hebben ondergaan worden met bepaalde samentrekkende stoffen zo behandeld dat zij tot leer worden. [S; L 1a-m; monogr.]
II-10
|
| 27697 |
loonkantoor, loonhal |
loonadministratie:
lōnatminǝstrāsi (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]),
loonhal:
loanhal (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Plaats waar het loon uitbetaald wordt. [N 95, 28; N 95, 977]
II-5
|
| 27574 |
loonzakje |
loonblaasje:
ǭǝnblø̜skǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Eisden]),
loonzakje:
loanzɛkskǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits]),
ǭǝnzɛkskǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Volgens de informant van Q 15 was het loonzakje al vroeg in onbruik. De arbeider kreeg daarna van zijn opzichter een loonstrookje en tegen inlevering hiervan werd zijn loon uitbetaald. [N 95, 980]
II-5
|
| 20132 |
loops |
loops:
luips (L374p Thorn),
løͅi̯ps (L374p Thorn)
|
loops, geslachtsdriftig ve teef [N 19 (1963)], [N C (1962)]
III-2-1
|
| 24678 |
loot, nieuw uitgelopen twijgje |
scheut:
sjuût (L374p Thorn),
ideosyncr.
sjeut (L374p Thorn),
WLD
sjèùət (L374p Thorn)
|
Een nieuw uitgelopen twijgje (spraon, scheut, schot, lot). [N 82 (1981)] || loot [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 17817 |
lopen |
lopen:
loupe (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
lopen [SGV (1914)] || lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 19500 |
loper |
loper:
lø̜jpǝr (L374p Thorn)
|
De bovenste, draaiende molensteen. De loper had in Q 99 drie soorten kerven, de ligger daarentegen maar één. Zie ook het lemma ɛscherpselɛ.' [N O, 17c; A 42A, 31; N D, 7; Sche 47; Vds 85; Jan 121; Coe 98; Grof 117; monogr.]
II-3
|