| 33891 |
maanblind paard |
maanoger:
mǭnø̜i̯gǝr (L374p Thorn)
|
Gezegd van een paard met een periodieke oogontsteking, gewoonlijk om de maand of na twee maanden. Het paard is dan lichtschuw en het hele oog vertoont ontstekingsverschijnselen: een sterke traanafscheiding en een roodachtige kleur van de bindhuid. De kwaal is gewoonlijk na twee à drie weken geweken, maar kan zich ook periodiek herhalen en tot blindheid leiden. De naam maanblindheid houdt verband met de vroegere mening, dat deze kwaal maandelijks, bij het op- en afgaan van de maan, terugkeerde. [A 48A, 38a; N 8, 62p en 90v]
I-9
|
| 22320 |
maandag na driekoningen |
verloren maandag:
verlore maondig (L374p Thorn)
|
De naam voor de maandag na Driekoningen [koppermaandag, verloren maandag, floramaandag]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22438 |
maandag voor aswoensdag |
carnavalsmaandag:
karnevalsmaondaag (L374p Thorn),
vastelavondsmaandag:
vastelaovesmaondig (L374p Thorn)
|
De naam voor de maandag vóór aswoensdag. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 23512 |
maandstonde |
maanddienst:
maondjdeenst (L374p Thorn)
|
Een maandelijkse mis voor een overledene [maandstond?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 26255 |
maanijzers |
ijzeren band:
īsǝrǝ bantj (L374p Thorn)
|
De metalen verbindingen tussen de vangstukken, eventueel ook een doorgaand ijzeren maanstuk over alle vangstukken of over de lassen van de stukken. Zie ook afb. 52. [N O, 12j]
II-3
|
| 25165 |
maansverduistering |
clipsis aan de maan:
klipsis inne moan (L374p Thorn)
|
Eclips van de maan [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 17671 |
maantje op de nagel |
maantje:
mönke (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
maantje: Lichter gekleurd gedeelte onderaan de vingernagels (maantje). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 25162 |
maanx |
maan:
moan (L374p Thorn)
|
maan [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33107 |
maat houden bij het dorsen |
slaghouden:
slāxhǭi̯ǝ (L374p Thorn)
|
Wanneer men met meer dan één man dorst, moet men goed de maat houden; zie ook de algemene toelichting bij deze paragraaf. In dit lemma staan de benamingen voor dit houden van de juiste maat bijeen. De uitdrukking boekweit dorsen, of beter: boekweitkoek dorsen of - slaan (en heteroniemen, zie het lemma ''boekweit'', 1.2.10) betekent doorgaans: "ritmisch, op maat dorsen"; de term is een onomatopee. Soms ook betekent de uitdrukking dat alle dorsers tegelijk slaan ten teken dat het dorsen klaar is. In L 326 merkt de zegsman opdat deze uitdrukking "verkeerd dorsen" betekent. Trompen is wel de benaming voor het ritmisch luiden van de kerkklok; vergelijk ook het type luiden zelf. Voor de fonetische documentatie van het woord [dorsen], zie het lemma ''dorsen'' (6.1.1).' [N 14, 12 en 14b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 25249 |
maat, algemeen |
maat:
maot (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
de eenheid waarmee lengten, inhouden etc. worden gemeten, in het algemeen [maat, pegel] [N 91 (1982)]
III-4-4
|