| 33768 |
manen |
manen:
mānǝ (L374p Thorn)
|
Het lange nekhaar bij een paard. Paarden worden vaak onderscheiden naar de kleur van de manen (zie paragraaf 4.1). Zie afbeelding 2.13. [JG 1a, 1b; N 8, 21]
I-9
|
| 33769 |
manenstrang |
manenstrang:
mānǝstraŋk (L374p Thorn)
|
Gewelfde bovenkant van een paardenek waar de manen ingeplant zijn. Zie afbeelding 2.14. [N 8, 21 en 25]
I-9
|
| 18924 |
manier |
manier:
maneer (L374p Thorn),
meneer (L374p Thorn)
|
de wijze waarop men iets doet of waarop iets verricht kan worden [benier, gunstig, manier, gedwasje] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18148 |
manken |
hompelen:
hómpele (L374p Thorn),
kreupelen:
kreupele (L374p Thorn)
|
Gebrekkig lopen door bijv. ongelijke lengte van de benen (honkelen, lammen, knakken). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17984 |
mankeren |
mankeren:
mankeere (L374p Thorn),
mankere (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
schelen:
sjêle (L374p Thorn)
|
mankeren [SGV (1914)] || Mankeren: mankeren, schelen (schelen, mankeren, het hebben). [N 84 (1981)] || schelen, mankeren [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17713 |
mannelijk geslachtsorgaan |
geslachtsorgaan:
geslachtsorgaan (L374p Thorn),
zak:
zak (L374p Thorn)
|
mannelijke geslachtsorgaan [gemach, gemaacht] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34449 |
mannelijk jong van de geit |
bokje:
bøkskǝ (L374p Thorn)
|
[N 19, 71b; N 19, 71a; N 77, 76; A 9, 21]
I-12
|
| 34051 |
mannelijk kalf |
stier:
stīr (L374p Thorn),
stierenkalf:
stīrǝ[kalf] (L374p Thorn),
stierkalf:
stir[kalf] (L374p Thorn),
var:
vɛr (L374p Thorn)
|
[N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.]
I-11
|
| 34052 |
mannelijk kalf dat van tanden begint te wisselen |
rund:
rønt (L374p Thorn)
|
Algemeen kan men zeggen dat het hier gaat om een kalf van ongeveer één jaar oud. [N 3A, 16; add. uit N 3A, 15]
I-11
|
| 34476 |
mannelijk kuiken |
haantje:
hē̜nkǝ (L374p Thorn)
|
[N 19, 41b; L A2, 507]
I-12
|