| 24808 |
melkdistel |
melkplant:
melkplantj (L374p Thorn),
idiosyncr.
mèlkplantj (L374p Thorn),
zuurmelk:
zoormelk (L374p Thorn),
idiosyncr.
zoormèlk (L374p Thorn)
|
Melkdistel (sochus oleraceus 20 tot 100 cm groot. De bladeren zijn meestal ingesneden en de stengel omvattend, zacht stekelig getand, dofgroen van kleur. De bloemhoofdjes zijn klein, de bloemen zijn lichtgeel. Bloeitijd van juni tot oktober (zijdistel, [N 92 (1982)] || Melkdistel (Sochus oleraceus) [N 92 (1982)]
I-7, III-4-3
|
| 33778 |
melkgebit |
melktanden:
męlǝktɛnj (L374p Thorn),
veulentand(en):
vȳǝlǝtanj (L374p Thorn)
|
Tot twee en een half à drie jaar hebben de paarden een melkgebit of veulenstanden. De twee middelste snijtanden komen door in de eerste levensweek van het veulen (soms zijn ze bij de geboorte al aanwezig), binnen een maand of zes weken gevolgd door de snijtanden ernaast. De twee laatste snijtanden volgen tussen de zes en negen maanden, waarna het melkgebit compleet is. De veulenstanden zijn wit van kleur in tegenstelling tot het wat gelige vast gebit en lopen naar de basis toe in een punt uit. [JG 1a, 1b; N 8, 18a]
I-9
|
| 19514 |
melkkannetje |
melkkannetje:
melkkenke (L374p Thorn),
melkpotje:
melkpötje (L374p Thorn)
|
melkkannetje waaruit men aan tafel melk schenkt [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34568 |
melkkar |
melkkar:
mɛlǝkkęr (L374p Thorn)
|
Kar om melkbussen van meerdere boeren van en naar de fabriek te brengen. Het was meestal een lange kar met een groot bodemoppervlak en lage zij-, voor- en achterplanken. [N 17, 15; N G 51; monogr.]
I-13
|
| 34386 |
melkschaap |
melkschaap:
mɛlkšǭp (L374p Thorn)
|
Schaap van een ras dat vooral goed is voor de melk. [N 77, 1f; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 34227 |
melkstoeltje |
melkstoel:
mɛlkstōl (L374p Thorn)
|
Houten krukje met drie of vier poten waarop men zit bij het melken van de koeien. Zie afbeelding 10. [A 9, 13; A 42, 18a; JG 1d; monogr.]
I-11
|
| 17624 |
melktanden |
eerste tanden:
de ieerste teng (L374p Thorn)
|
melktanden [zuiktande, zeuktaant, mammetandjes] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 33554 |
meloen |
meloen:
ideosyncr.
meloen (L374p Thorn),
WLD
meloen (L374p Thorn)
|
Een meloen, de komkommerachtige oranjekleurige of groene, sappige, smakelijke vrucht (meloen, kanteloep). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 19137 |
menen |
menen:
meine (L374p Thorn),
meining (L374p Thorn)
|
van mening zijn [peinzen, menen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|