| 27547 |
mijnpet |
kuilpats:
kulpatš (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits]),
pats:
patš (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Plastic, vroeger leren, pet door de mijnwerker als hoofdbescherming gedragen. De invuller uit Q 113 merkt daarover op, dat toen hij in 1933 in de mijn begon, velen een oude pet of hoed droegen. Later voerde men op de vier Oranje-Nassaumijnen lichte, leren petten in en deze werden vervolgens weer vervangen door de versterkte leren pet en de plastic helm. [N 95, 66; monogr.]
II-5
|
| 27526 |
mijnpolitie |
mijnpolitie:
mīnpolisi (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Oranje-Nassau I]),
mīnpǝlis (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Domaniale])
|
Corps voor de kontrole op de naleving van het mijnreglement. [N 95, 31; monogr.]
II-5
|
| 27679 |
mijnpoort |
poort:
port (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Zwartberg, Waterschei])
|
Toegang tot de mijn. [N 95, 39]
II-5
|
| 27601 |
mijnreglement |
mijnreglement:
mlnreglǝmɛnt (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Voorschriften voor het werken in de mijn. Mijnwerkers die op de mijnschool de opleiding tot opzichter volgden, waren verplicht dit omvangrijke boekwerk aan te schaffen. [N 95, 993]
II-5
|
| 27527 |
mijnschade |
mijnschade:
mīnšāj (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Schade, bij voorbeeld aan huizen, veroorzaakt door het ondergrondse mijnwerk. Het kolen delven heeft tot gevolg dat de bodem zakt waardoor scheuren ontstaan in gebouwen. [N 95, 931]
II-5
|
| 27549 |
mijnschoenen |
kuilschoenen:
kulšōn (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits]),
schoenen:
šōn (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Zwartberg, Waterschei])
|
Schoenen met ijzerbeslag en stalen neuzen. De afkorting "W.I.M." in het woordtype "W.I.M.-schoenen" (L 426) staat voor "Werkplaatsen voor Invalide Mijnwerkers der Staatsmijnen. [N 95, 63; N 95, 884; monogr.]
II-5
|
| 28329 |
mijnspoor |
zwaar spoor:
zwǭr spoar (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Het spoor waarover het vervoer van kolen, stenen en materiaal in het ondergrondse bedrijf plaatsvindt. In dit lemma is een onderscheid gemaakt tussen spoor in het algemeen, licht spoor en zwaar spoor, al naar gelang het aantal kilo''s dat per meter spoor wordt gemeten. Zwaar spoor wordt gebruikt op plaatsen waar vervoer met locomotieven plaatsvindt. De opgave "smalspoor" uit Q 113 voor de mijn Emma duidt op de breedte van het spoor, namelijk 60 cm. Omdat spoor altijd bestaat uit twee spoorstaven, zijn in dit lemma enkelvoudige en meervoudige begrippen terug te vinden. [N 95, 698; N 95, 699; monogr.; Vwo 671; Vwo 727]
II-5
|
| 28134 |
mijnverzakking |
mijnverzakking:
mīnvǝrzakeŋ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Verzakking binnen het gangenstelsel. [N 95, 932]
II-5
|
| 28290 |
mijnwagen |
mijnwagen:
mīnwāgǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Vierwielig ijzeren spoorwagentje met speciale vorm waarin kolen en stenen over rails kunnen worden vervoerd. De "birouche" is een kleinere uitvoering van het mijnwagentje. De "komfaat" uit Q 121 was een extra grote mijnwagen die op de Domaniale mijn tot ongeveer 1906 werd gebruikt bij het schachtvervoer. Op een ondergronds gelegen laadpunt werden de kolen vanuit kleine wagens, die in de lage galerijen reden, overgeladen in de grotere "komfaten". Deze werden dan op de kooi geduwd om naar bovengronds te worden vervoerd (Lochtman pag. 191). Het woordtype "afgebrande" werd op de mijn Maurits gebruikt voor een halve grote wagen (Loontjens pag. 30). [N 95, 671; monogr.; Vwo 111; Vwo 114; Vwo 116; Vwo 202; Vwo 515]
II-5
|
| 27219 |
mijnwerker |
kuilman:
kulman (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits]),
kuilpiet:
kulpit (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Emma]),
mijnwerker:
mīnwerkǝr (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
De algemene benaming voor mijnwerker ondergronds en bovengronds. Naast de neutrale benamingen is er een aantal dat een bepaalde gevoelswaarde heeft. Al naargelang de gebruikssituatie drukt men daarmee scherts, spot, kameraadschappelijkheid en schelden uit. Een ander aantal heeft het karakter van bijnamen. Het is moeilijk om deze categorieēn van benamingen exact af te bakenen. Zo kon "kuilpiet" zowel een populaire benaming zijn als een scheldbenaming. De normale betekenis van "kompel" is vriend of maat, maar in de Belgische mijnen werd het in het algemeen in een negatieve betekenis gebruikt. Het woord "balt" slaat op Baltische mijnwerkers die na de Tweede Wereldoorlog in de Limburgse mijnen zijn komen werken. Het wordt als scheldwoord gebruikt (Vanwonterghem pag. 55). "Pieren" was de naam voor de mijnwerkers die uit Maastricht kwamen. [N 95, 115; monogr.; Vwo 64; Vwo 88; Vwo 187; Vwo 227; Vwo 436; Vwo 444; Vwo 516; Vwo 554; Vwo 640; Vwo 861]
II-5
|