| 26664 |
molenpaard |
molenpaard:
[molen]pę̄rt (L374p Thorn)
|
Het paard voor de molenkar. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømolenŋ- het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 38s; Grof 266; monogr.]
II-3
|
| 26436 |
molenstenen |
molenstenen:
[molen]stɛjn (L374p Thorn)
|
De algemene benaming voor de stenen waarmee het graan gemalen wordt. Het woordtype kwernstenen duidt de stenen van een handmolen aan. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømolenŋ- het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 17a; N D, 5; Sche 46; Jan 119; Coe 96; Grof 115; monogr.]
II-3
|
| 26661 |
molenvat |
vat:
vāt (L374p Thorn)
|
Een vat waarmee alle meelzakken op het juiste gewicht worden gebracht. [N O, 38n]
II-3
|
| 25948 |
molenvolk |
molenvolk:
mø̄lǝvø̜lk (L374p Thorn)
|
Algemene benaming voor het personeel van een molen. [N O, 40h]
II-3
|
| 25985 |
molenweg |
molenpad:
[molen]pāt (L374p Thorn),
molenweg:
[molen]wę̄x (L374p Thorn)
|
De weg die naar de molen leidt. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømolenŋ- het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 39e]
II-3
|
| 32856 |
molshoop in het grasland |
molshoop:
(mv mǫlshø̜i̯p)
mǫlshǫu̯p (L374p Thorn)
|
Hoopje aarde, opgeworpen door een mol. Op de cultuurgronden en ook in het weiland zijn molshopen hinderlijk voor de boer, en hij zal proberen de mollen te vangen en de molshopen in het veld te verwijderen met de sleep (zie het lemma ''slepen'' in aflevering I.1.2, p. 175-176) of met een ander werktuig (zie het volgende lemma: ''molshopen verspreiden''). De benaming van de molshoop is vaak in het meervoud opgegeven. Daarom zijn bij de onderstaande woorden overal waar in de enquêtes door de informanten ook de meervoudsvormen zijn vermeld, deze hier ook opgenomen. In enkele streken worden de molshoop en de mol door hetzelfde woord benoemd. Daarom is in deze paragraaf ook het lemma ''mol'' opgenomen. De plaatsen waar de woorden voor mol en molshoop hetzelfde zijn, zijn hieronder gekenmerkt door het teken = bij de plaatscode; ze zijn in kaart 3, Mol, genoteerd.' [N 14, 80a; N 14, 81 add.; JG 1a, 1b, 1c; A 18, 12; L 1 a-m; L 1u, 165; L B2, 212; S 24, monogr.]
I-3
|
| 33557 |
molsla |
molsalade:
ideosyncr.
molsslaaj (L374p Thorn),
WLD
molslaaj (L374p Thorn)
|
De bladeren van een paardebloem die onder een molshoop gee en mals blijven en die als sla gegeten worden (molsla, suikerij, veldsla, platter). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 21598 |
mompelen |
mompelen:
mompele (L374p Thorn),
mómpele (L374p Thorn)
|
binnensmonds mompelen, gezegd van iemand die kwade zin heeft [morren, mompelen, mommelen, mopperen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 17858 |
mompelend heen en weer draaien |
dazen:
daaze (L374p Thorn)
|
Mompelend heen en weer draaien (moesjanken). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17758 |
mond |
mond:
montj (L374p Thorn),
mund (L374p Thorn),
munj (L374p Thorn),
mòntj (L374p Thorn)
|
mond [RND], [SGV (1914)] || Mond. Houd je mond toch [DC 01 (1931)] || monden [SGV (1914)]
III-1-1
|