| 23159 |
touwtjespringen |
touwtjespringen:
/
tuikespringen (L374p Thorn)
|
touwtje springen [SND (2006)]
III-3-2
|
| 18917 |
traag |
traag:
traog (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
niet snel reagerend; langzaam in het handelen [traag, lui] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21818 |
traag praten |
langzaam kallen:
langsaam kalle (L374p Thorn),
lijzig kallen:
lijzig kalle (L374p Thorn),
zemelen:
zemele (L374p Thorn)
|
traag praten [lijzen, zemelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 19363 |
trage vrouw |
zemel:
zeumel (L374p Thorn)
|
een domme trage vrouw [sarut, sara] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 22512 |
traktatie van jonggehuwden |
naadje brengen:
naatje bringe (L374p Thorn)
|
De tractatie van jonggehuwden aan de buurt [lepik, dourt, hertlooi]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17731 |
tranende ogen |
leepse ogen:
luipse ouge höbbe (L374p Thorn),
loopse ogen:
luipse ouge (L374p Thorn),
lopende ogen:
loapendje ouge (L374p Thorn),
traanogen:
traon ouge (L374p Thorn)
|
leepogig [SGV (1914)] || oog: tranende ogen [sijp-, siep-, sijper-, seeper-, soep-, leep-, prutooge] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 28367 |
transportband, bandtransporteur |
transportband:
transpǫrtbanjtj (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Band zonder einde die tussen twee keerrollen en over een aantal draagrollen loopt. De band dient voor het transport van kolen of stenen en in sommige gevallen ook voor het vervoer van personen. Het woordtype "meco" van de respondenten uit L 417 en Q 3 duidt op de naam van de firma die de banden fabriceert (Defoin pag. 92). [N 95, 635; Vwo 89; Vwo 661; Vwo 788]
II-5
|
| 28232 |
transporteren |
transporteren:
transpǫrtērǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Domaniale])
|
In het algemeen personen, materiaal, kolen en stenen vervoeren. [N 95, 610; N 95, 611; monogr.]
II-5
|
| 17928 |
trant |
gang:
gank (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
gang: Wijze van gaan (gang, trant). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19378 |
trap |
trap:
ein smaal trap (L374p Thorn)
|
trap [een smalle ~ ] [SGV (1914)]
III-2-1
|