| 20021 |
hanggeranium |
hanggeranium:
± Veldeke
hanggeranium (L245b Tienray)
|
Hanggeranium (pelargonium peltatum). De bladeren zijn duidelijk 3- of 5-lobbig, de lobben zijn gaafrandig. De plant heeft liggende stengels, die vaak over de rand van de bloempot heenhangen. De bloemen zijn lichtrood of wit van kleur en groeien in scherme [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 19373 |
hangslot |
hangslot:
hangslot (L245b Tienray),
lange handgreep
hángslót (L245b Tienray),
kluister:
klustər (L245b Tienray)
|
Een slot dat aan b.v. een koffer of aan een deur gehangen wordt, met een draaibare beugel (kluister, hangslot, korna ) (=Fr. cadenas) [N 79 (1979)] || hangslot [N 07 (1961)]
III-2-1
|
| 18979 |
hansworst |
hansworst:
hanswôrst (L245b Tienray)
|
iemand die zich belachelijk aanstelt [hanswordt, polichinelle] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25147 |
hard waaien |
boezen:
bōēze (L245b Tienray)
|
hard waaien, stormen
III-4-4
|
| 25027 |
hard, luid |
hard:
hard (L245b Tienray)
|
hard klinkend [hard, luid] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24936 |
harde, zware grond |
poestaarde:
#NAME?
poestèèrt (L245b Tienray)
|
hard worden, gezegd van aarde [vervloeren, sluiten] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 18036 |
hardlijvigheid, hardlijvig (zijn) |
hardlijvigheid:
hardlievigheid (L245b Tienray)
|
Constipatie: verstopping, hardlijvigheid (beslotenheid, constipatie, obsteeg afgaan). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20797 |
haring |
haring:
herring (L245b Tienray),
hɛreŋ (L245b Tienray),
Veldeke (aangepast)
herring (L245b Tienray)
|
haring || Hoe noemt u de haring: een slanke, zilverkleurige zeevis met vrij grote doorschijnende schubben, één korte rugvin en een spitse kop waarvan de onderkaak iets uitsteekt. Hij wordt ± 40cm lang (haring, rogel, herrek) [N 83 (1981)]
III-2-3
|
| 33310 |
hark, algemeen |
griesel:
grisǝl (L245b Tienray),
hark:
hɛ̄rǝk (L245b Tienray)
|
Gereedschap dat dient om uitgetrokken onkruid bijeen te trekken, afgevallen bladeren te verzamelen, de tuinpaden, het erf en het grind aan te harken, de grond fijn te maken, enz. Het bestaat uit een ijzeren kam van doorgaans ongeveer 30 cm breedte met korte licht gebogen tanden, bevestigd aan een lange steel. Bedoeld is hier het algemene stuk gereedschap dat met name in de moestuin en op het erf wordt gebruikt voor de vele boven opgesomde doeleinden. Specifieke harken met eigen benamingen komen in het lemma Bijzondere Harken aan bod. [N 18, 94; JG 1a, 1b, 2c; A 2, 44; A 28, 1a; A 34, 2a; L 1, a-m; L B2, 239; Lu 6, 1a; S 12; Gwn 8, 4; monogr.; add uit N 14, 97b; N 15, 4; N 18, 93 en 95; N J, 5]
I-5
|
| 33309 |
harken, werken met de hark |
grieselen:
grisǝlǝ (L245b Tienray),
harken:
hɛ̄rǝkǝ (L245b Tienray)
|
Zie de toelichting bij het lemma Hark, Algemeen. Object van kleinmaken is: kluiten, harde grond; object van zuivermaken is: het bed, de tuin. [JG 1a, 1b; A 28, 1b; L 1, a-m; Lu 6, 1b; S 12; monogr.; add. uit N 15, 3]
I-5
|