| 17893 |
klieven |
klieven:
klievë (Q162p Tongeren),
klīvǝ (Q162p Tongeren),
splitsen:
splitsë (Q162p Tongeren)
|
Hout met een beitel of bijl in de lengterichting doorhakken, zodat het splijt. Zie ook het lemma ɛklievenɛ in de paragraaf over de kuipersvaktaal. Het betreft daar het klieven van stukken boomstam tot duigen.' [N 37, 8; N 50, 15a; N 75, 134a; monogr.] || Vaneen scheiden (klieven, kloven, splijten, splitsen, (scheiden))\\ [N 108 (2001)]
II-12, III-1-2
|
| 24581 |
klimop |
klimop:
[Hedera helix]
klïm-op (Q162p Tongeren),
wintergroen:
[Hedera helix]
wéntërgrüun (Q162p Tongeren)
|
klimop
III-4-3
|
| 17736 |
klinken |
klinken:
klinkë (Q162p Tongeren)
|
Klinken: een goed hoorbaar, luid of helder geluid voortbrengen (klinken, luiden, klabetteren, klawettern) [N 108 (2001)]
III-1-1
|
| 31497 |
klinknagel |
rivet:
rǝvę.t (Q162p Tongeren)
|
Rond metalen staafje waaraan een kop is geperst. Zie ook afb. 177. Klinknagels worden volgens de koperslager uit L 266 onder meer gebruikt om hengsels te bevestigen. Koperen klinknagels werden vroeger volgens de zegsman uit L 210 gedraaid uit koperen plaat en vervolgens door het klinknagelijzer (kleŋkngǝlīzǝr) geslagen waardoor er een kop op kwam. Zie ook het lemma "nagelijzer". [N 66, 48a-b; N 100, 18; monogr.]
II-11
|
| 34493 |
kloeken |
kloeken:
klukǝ (Q162p Tongeren)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van een broedse kip. [N 19, 47; monogr.]
I-12
|
| 20950 |
klokhuis |
graat:
Met staart en kruin
grôot (Q162p Tongeren),
wrang:
vroad (Q162p Tongeren),
vrōͅk (Q162p Tongeren)
|
klokhuis (het binnenste van een appel) [ZND 17 (1935)], [ZND B2 (1940sq)] || klokhuis van fruit
III-2-3
|
| 24651 |
klokje (alg.) |
blauw klokje:
cf. sub akelei; [Campanula]
blàa klùkskës (Q162p Tongeren)
|
campanula
III-4-3
|
| 23299 |
klokje op het priesterkoor |
bel:
de bel (Q162p Tongeren)
|
Het klokje, de grote bel of de gong op het priesterkoor, waarmee het begin en het einde van de dienst wordt aangegeven. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24686 |
klokjesgentiaan |
gentiaan:
[Gentiana lutea]
gênsiàan (Q162p Tongeren)
|
gentiaan
III-4-3
|
| 23478 |
klokkenluider |
klokkenluider:
de klòkkelajjers (Q162p Tongeren),
luider:
de lajjers (Q162p Tongeren)
|
De personen die tijdens de grote processie de klokken luiden. [N 96A (1989)]
III-3-3
|