e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q162p plaats=Tongeren

Overzicht

Gevonden: 5750
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
beukennootje beukje: bükë (Tongeren) beukenoot III-4-3
beurs onder het oksaal: ónder t òksaol (Tongeren), vanachter in de kerk: vanaater én de kerk (Tongeren) De ruimte achter in de kerk, tussen de laatste bank en de deur van het kerkportaal [de beurs?]. [N 96A (1989)] III-3-3
bevallen bevallen: modern  bëvallë (Tongeren), een kindje kopen: ë kindsje kòupë (Tongeren), een kindje krijgen: ue kindsjë krajgë (Tongeren) Bevallen: een kind ter wereld brengen (bevallen, vallen, een kindje krijgen, kinderen winnen, omschudden, kopen). [N 115 (2003)] III-2-2
bevend schudden met de huid (zich) schudden: šødǝ (Tongeren), bibbelen: bebǝlǝ (Tongeren) Rillen, beven, huiveren, vooral na zware arbeid, bij koude en uit angst. [N 8, 66 en 68] I-9
bevertjes bibbelhandje: ook: siddergras; cf Paque: gras dat trilt als men het in de hand heeft.  bïbbëlhêendsjë (Tongeren) trilgras III-4-3
bevruchten vogelen: foxǝlǝ (Tongeren) Het bevruchten van de hen door de haan. [JG 1a, 1b, 2c; N 19, Q 111 add.; monogr.] I-12
bewaarplaats van bieten en groenvoer in de stal voederstal: vui̯ǝrstal (Tongeren), voerij: [voerij] (Tongeren) De plaats in de stal waar bieten en groenvoeder worden bewaard voor direct gebruik. De grote voorraad bevindt zich buiten de stal. De in de stal bewaarde hoeveelheid is voldoende voor enkele keren voederen. Sommige woordtypen benoemen niet een specifieke opslagplaats voor bieten en groenvoeder, maar duiden in het algemeen de ruimte aan waarin men dit voeder opslaat. Zie voor de fonetische documentatie van de woorden (voerhuis), (voederij), (voerij) en (voerderij) het lemma "voorstal, voedergang" (2.2.5). [N 5A, 34c] I-6
beweeglijk rondlopen ritsen: retse (Tongeren) lopen: beweeglijk rondlopen [ritse, kwinkeleere] [N 10 (1961)] III-1-2
bewieroken wieroken: wirròuke (Tongeren) Wieroken, bewieroken [wiereke?]. [N 96B (1989)] III-3-3
bewolkte lucht bewolkte lucht: də loY eͅs bəwolək, šə zit Yein stārə (Tongeren), de lucht is toe: də loͅ.x e.s tau (Tongeren), də loͅ.Y əs tau (Tongeren), toe hemel: də himəl es tau̯, šə zit Yein stārə (Tongeren) Bewolkt. Hoe zegt men in uw dialect: de lucht, de hemel is bewolkt, je ziet geen sterren. [ZND 49 (1958)] III-4-4