e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Tongeren

Overzicht

Gevonden: 5750
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zweren, etteren zweren: daai won zal zwère (Tongeren), zwè:re (Tongeren) Die wonde zal etteren [ZND 23 (1937)] || zweren, etteren [ZND m] III-1-2
zwerm broeikaar: brȳkǭ.r (Tongeren  [(bijenzwerm aan boom)]  ), zwerm: zwę.rm (Tongeren) Het geheel van bijen met koningin dat de korf of kast verlaat. Een zwerm bestaat doorgaans uit een koningin, 10- tot 20-duizend werkbijen en een paar honderd darren. Zij zullen een nieuwe woning gaan zoeken. [N 63, 29d; S 3; L 1a-m; JG 1a+1b; Ge 37, 100; A 9, 6; monogr.] II-6
zwerm vogels zwerm: zwêr"m (Tongeren) zwerm III-4-1
zwermen zwermen: zwęrǝmǝ (Tongeren) Het verlaten van korf of kast van een deel van het bijenvolk onder aanvoering van een koningin. Zij gaat een nieuw volk vormen. Een dag of acht, negen, voordat de nieuwe moer of koningin uit de koninginnecel komt, verdwijnt de oude moer met een deel van het volk. De moer wordt door de werkbijen wat meer voor het vliegen geschikt gemaakt door haar enorme legtempo wat te temperen. Dit doen ze door het eiwitrijke voedsel, dat de moer anders krijgt, wat te minderen. Het zware achterlijf slinkt dan in en de moer krijgt krachten om de vleugels te kunnen uitslaan of anders gezegd om te kunnen zwermen. [N 63, 29a; S 3; L 1a-m; JG 1a+1b; Ge 37, 99; monogr.] II-6
zweven drijven: draiven (Tongeren), zweven: zweven (Tongeren) Hoe benoemt U allerlei vormen van vliegen: zweven, planeren? [N 93 (1983)] III-3-2
zwezerik kalfslellen: meestal kàaslêlle  kàaslêlle (Tongeren), lelletjes: lɛləkəs (Tongeren) kalfszwezerik || Zwezerik (sepieten?) [N 16 (1962)] III-2-3
zwik van de wagen zwik: zwē.k (Tongeren) De dwarsbalk die de vorkhouten onder de bak van de langwagen met elkaar verbindt. [N 17, 42 + 44d; N G, 70f; JG 1b; monogr] I-13
zwoegen afmartelen: ôofmattëlë (Tongeren), schaffen: sjaffë (Tongeren), schurgen: sjùr’’gë (Tongeren), travakken: travakə (Tongeren), wolven: ’wólvóə (Tongeren) hard werken || hard werken, zwoegen || tot afmatting toe ¯n moeizaam zwaar werk verrichten || wroeten (hard werken) [ZND B1 (1940sq)] III-1-4
zwoord zwaard: zwa͂s (Tongeren), zwōs (Tongeren), zwōͅt (Tongeren), van spek  zwôos (Tongeren), zwôot (Tongeren), zwôots (Tongeren) De zwoord, van het spek (zwaart, zwaort?) [N 16 (1962)] || zwoerd [Goossens 1b (1960)] || zwoord (harde rand van een snede spek) [ZND B2 (1940sq)] III-2-3
één frank frank: de entree és eina frang (Tongeren), de e⁄gangsprais is eine frang (Tongeren), den ingang is eine frang (Tongeren), den inkoom is eine frang (Tongeren), ⁄ne fraang entrée (Tongeren), ps. omgespeld volgens IPA.  frəŋ (Tongeren), frankje: ps. omgespeld volgens IPA.  freͅŋskə (Tongeren), stuk: ps. omgespeld volgens Frings.  ə støk (Tongeren) 1 franc, een ~ (wit metaal) [N 21 (1963)] || De toegangsprijs is een frank. [ZND 36 (1941)] III-3-1