25438 |
reuzel |
netten:
nɛtǝ (L318b Tungelroy),
reuzel:
rø̄zǝl (L318b Tungelroy)
|
Bladvet, vetweefsel tegen de achtervlakte van de buik bij varkens. Het zijn twee platen vet. Men hangt ze op een stok te drogen (P 107a) en vervolgens worden ze in vierkante stukjes gesneden. Algemeen gebruik is dat deze vierkante stukjes worden gebraden tot "kaantjes". Het vet dat na het uitbakken overblijft, gebruikt men als smeer- of bakvet. [N 28, 75; N 28, 76; monogr.]
II-1
|
20633 |
reuzel, bladvet |
reut:
vet
reut (L318b Tungelroy),
reuzel:
Syst. WBD
reuzel (L318b Tungelroy),
veren:
véére (L318b Tungelroy)
|
Ongesmolten varkensvet, reuzel, (vlieze, vieze, vizze, reuzel?) [N 16 (1962)] || reuzel [DC 17 (1949)]
III-2-3
|
17655 |
rib |
rib:
rub (L318b Tungelroy, ...
L318b Tungelroy,
L318b Tungelroy)
|
rib || rib, ribben [N 10 (1961)]
III-1-1
|
25015 |
ribbel |
hobbel:
höbbel (L318b Tungelroy),
ribbel:
rubbel (L318b Tungelroy)
|
een smalle, langwerpige verhoging aan een voorwerp [ribbel, ril, reef, rif] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
25444 |
ribben in stukken delen |
de rugstrang doorzagen:
dǝ rø̜kstraŋ dōrzēgǝ (L318b Tungelroy),
doorzagen:
dōrzɛgǝ (L318b Tungelroy)
|
[N 28, 104; N 28, 106a; monogr.]
II-1
|
31732 |
ribhout |
rib:
røp (L318b Tungelroy)
|
Benaming voor een plank met een afmeting van ongeveer 7 x 7 cm (3 x 3 duim) tot ongeveer 15 x 20 cm (6 x 8 duim). [N 50, 73m; monogr.]
II-12
|
29929 |
richten |
richten:
rextǝ (L318b Tungelroy)
|
Het hoogste punt bereiken bij een in aanbouw zijnde woning. Er wordt dan een versierde tak, kleine boom of vlag op de nok van het bouwwerk geplaatst. De eigenaar tracteert de arbeiders op drank of, volgens de invullers uit L 216, L 386 en Q 95, op geld. Zie ook het lemma 'pannenbier'. [monogr.; N 88, 184 add.; div.]
II-9
|
20113 |
ridderspoor |
ridderspoor:
ridderspoor (L318b Tungelroy),
-
ridderspoor (L318b Tungelroy)
|
Bastaard ridderspoor (delphinum hybridum). De bladeren zijn in 5 brede slippen verdeeld, die zelf ook nog weer zijn ingesneden. De bloemen zijn blauw en groeien in volle, lange trossen. De plant is meestal minder dan 1 m hoog (riddespoor, schoentje, ezelo [N 92 (1982)] || ridderspoor [DC 60a (1985)]
III-4-3
|
33212 |
riek om te rooien |
vijftandse riek:
viftɛntjsǝ rēk (L318b Tungelroy)
|
Speciale aardappelriek om mee te rooien, waarvan de benaming afwijkt van die van de algemene riek. Doorgaans heeft de rooiriek minder tanden dan de algemene riek die dient om aardappels te scheppen en te verplaatsen. Drie of vier tanden is normaal. Zie de toelichting bij het lemma Aardappelriek, Algemeen. Bij het type mesthaak, mestgaffel is uitdrukkelijk opgegeven dat het stuk gereedschap met deze naam voor het rooien van aardappelen wordt gebruikt. In L 360 merkt de zegsman op dat men om te rooien een riek gebruikt met platte tanden, zonder bolletjes; en om te scheppen een riek met ronde tanden met bolletjes. [N 12, 36; N 18, 23 en 26b; JG 2c; A 28, 3; monogr.; add. uit N 18, 58 en 60]
I-5
|
32583 |
riek, mestriek |
drietandse riek:
dritɛntjsǝ [riek] (L318b Tungelroy),
mestriek:
[mest]rēk (L318b Tungelroy
[(korte tanden)]
),
riek:
rēk (L318b Tungelroy
[(vier of vijf)]
),
viertandse riek:
vērtɛntjsǝ [riek] (L318b Tungelroy),
vijftandse riek:
vīftɛntjsǝ [riek] (L318b Tungelroy)
|
Een riek die vroeger vaak drie, tegenwoordig meestal vier tanden telt en die gebruikt wordt om de stallen uit te mesten, mest te laden en mest te verspreiden op het land, ook om aardappelen te rooien, aardkluiten fijn te maken e.d. Voorzover het materiaal daaromtrent gegevens bevatte, is in dit lemma achter de plaatsnummers melding gemaakt van het aantal tanden dat de (mest)riek ter plaatse telde. Benamingen van de (mest)riek naar het aantal tanden vormen de tweede helft van dit lemma. Niet opgenomen zijn namen voor een drietandige vork, die blijkens de opgave gebruikt werd om graanschoven en/of hooi op te steken, noch benamingen voor de vijf- of zestandige riek die - met of zonder bolletjes aan de tanden - dient om bieten of aardappelen op te scheppen. [N 5A, 50b; N 11, 28; N 11A, 13a + c; N 14, 81 add.; N 18, 23 + a + b; N 18, 24 add.; JG 1a + 1b; A 28, 4a + b; Av 1, III 5; L B2, 242; L 16, 18b; Gi 2, 179; Lu 6, 4a + b; S 29; Gwn 8, 3; Wi 3 add.; div.; monogr.]
I-1
|