| 33433 |
oogststapel in de schuur |
berm:
bɛrǝm (Q097p Ulestraten)
|
De stapel van graanschoven die men in de schuur vormt, vooral in de tasruimte naast de dorsvloer, maar ook wel op een zolder (vooral bij kleine bedrijven), en ook wel van toepassing op de hooioogst. Veel benamingen van de stapel bevatten de naam van het geoogste gewas en/of geven aan waaruit de stapel bestaat. Vergelijk ook het lemma "graan stapelen in de schuur" (aflevering I.4, lemma 5.1.11). In de toelichting bij het lemma "tasruimte naast de dorsvloer" (3.3.2) is al gewezen op de metonymische verbanden tussen de twee groepen benamingen. De benamingen van de stapel worden gebruikt om de ruimte waarin gestapeld wordt aan te duiden. Interessant is hier het voorkomen van de benamingen gebont en verbont; het is een geval van doorgezette metonymie: de naam van de begrenzing is overgegaan op de ruimte (i.c. de tasruimte) en deze weer op hetgeen die ruimte bevat: de oogststapel. Daarna volgen in het lemma nog een aantal (bijna-)hapaxen die kennelijk van minder belang zijn. [N 5A, 69b; N 5, 82, 84 en 85; N 15, 49a; N C, 5b; JG 1a, 1b en 2c; L B2, 292; monogr.]
I-6
|
| 24220 |
ooievaar |
ooievaar:
oijevaar (Q097p Ulestraten),
oiëvaar (Q097p Ulestraten)
|
ooievaar [DC 35 (1963)], [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 20356 |
oom |
nonk:
nonk (Q097p Ulestraten),
nonk?:
ouck (Q097p Ulestraten)
|
oom [SGV (1914)] || oom; Bestaan er verschillende woorden voor een oom van vaders- en van moederskant? [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 24868 |
oot |
vlughaver:
-
vluughaver (Q097p Ulestraten)
|
oot [wilde haver] [DC 30 (1958)]
III-4-3
|
| 33293 |
oot, wilde haver |
vlughaver:
vlȳghāvǝr (Q097p Ulestraten)
|
Avena fatua L. Een vrij algemeen voorkomend lastig onkruid op bouwland, in korenvelden en wegbermen, dat er haverachtig uitziet met een wijde, pluimvormige aar. Het bloeit van juni tot augustus. De lengte varieert van 60 tot 120 cm. Vergelijk lemma Evene in WLD.I, afl. 4. [A 30, 2; A 60A, 81; L 49, 2; monogr.; add. uit JG 1a, 1b]
I-5
|
| 23198 |
op bedevaart gaan |
bedevaart gaan:
baevertgoon (Q097p Ulestraten),
een gang doen:
⁄ne gank doon (Q097p Ulestraten),
te bedevaart gaan:
te bei-jvaart goon (Q097p Ulestraten)
|
Bedevaart doen [ne gank doon]. [N 06 (1960)]
III-3-3
|
| 25564 |
op de juiste temperatuur |
bloedlauw:
blōtlǭw (Q097p Ulestraten)
|
Gezegd van gerezen deeg. Het vocht in het deeg is de warmtebron. Door het vocht te verwarmen brengt men het deeg op de juiste temperatuur. De goede temperatuur is van groot belang voor de kwaliteit van het produkt. Te warme degen zullen droog brood geven, dat spoedig kruimelig wordt, terwijl te koude degen een brood opleveren dat klein van stuk en wreed van scheuring is (Schoep blz. 95). Volgens de informanten van K 359, L 270, en Q 121e was eertijds het bepalen van de juiste temperatuur een kwestie van aanvoelen of voelen met de handen. De goede temperatuur zou volgens de informant van L 269a zijn ¬± 28¬∞C. In dit lemma komen verschillende grammaticale categorieën voor. [N 29, 28b; monogr.]
II-1
|
| 17935 |
op de loop gaan |
op de loop gaan:
op de luip goan (Q097p Ulestraten),
op tə luip gōən (Q097p Ulestraten)
|
op de loop gaan [SGV (1914)], [ZND 30 (1939)]
III-1-2
|
| 17966 |
op de schouder zitten |
krommejak zitten:
kromejak zitte (Q097p Ulestraten),
op de rug zitten:
op de rök zètte (Q097p Ulestraten)
|
rug: op de rug zitten [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17949 |
op de tenen lopen |
op de tenen lopen:
op de tjéne loupe (Q097p Ulestraten)
|
lopen: op zijn tenen lopen [op zn vurvoete] [N 10 (1961)]
III-1-2
|