| 19365 |
leep, doortrapt |
doortrapt:
doortrap (Q101p Valkenburg),
laag:
lèèg (Q101p Valkenburg),
loos:
loàs (Q101p Valkenburg),
schlau (du.):
sjlauw (Q101p Valkenburg)
|
leep [SGV (1914)] || zeer bedreven in het kwaad of in het kwaaddoen en daarbij zeer sluw [slim, glad, hel, leep, doortrapt] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 30796 |
leerlooier |
leerlooier:
lę̄rlø̜ǝr (Q101p Valkenburg)
|
Persoon die huiden bereidt tot leer door looiing. [S 22; monogr.]
II-10
|
| 23613 |
leerrede |
preek:
de praek (Q101p Valkenburg)
|
Een leerrede, een tekstverklarende preek, homilie. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30861 |
leest |
leest:
lęjs (Q101p Valkenburg)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|
| 22749 |
leeuw |
leeuw:
lièf (Q101p Valkenburg),
ənə léiw (Q101p Valkenburg),
ənə léiəw (Q101p Valkenburg)
|
leeuw [SGV (1914)] || Leeuw. [ZND 30 (1939)]
III-3-2
|
| 33883 |
leewater |
leewater:
lēwātǝr (Q101p Valkenburg)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|
| 34067 |
lege eerste koe |
leeg rind:
lēx rent (Q101p Valkenburg),
mestkoe:
mes[koe] (Q101p Valkenburg)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 25824 |
legerkelder |
lagerkelder:
lāgǝrkęldǝr (Q101p Valkenburg)
|
De ruimte waarin de nagisting plaatsvindt. De invuller uit P 180 merkt op dat de "bewaarplakken" zich in de kelder bevonden. [N 35, 86; monogr.]
II-2
|
| 25821 |
legervat |
lagervat:
(mv.)
lāgǝrvātǝ (Q101p Valkenburg)
|
Het vat of de ton waarin de nagisting plaatsvindt. Volgens de zegsman uit L 210 had zo''n ton een inhoud van 140 liter. [N 35, 73; monogr.]
II-2
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
lègge (Q101p Valkenburg)
|
leggen [SGV (1914)]
III-1-2
|