e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Valkenburg

Overzicht

Gevonden: 5178
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zweep van de koeherder smik: šmik (Valkenburg) Zweep om bijvoorbeeld de koeien naar de stal te brengen. [N 18, 146] I-11
zweer vart: vart (Valkenburg), zweer: zjwèèr (Valkenburg) [N 8, 90b en 90t]Zweer: huidontsteking vaak met ettervorming ten gevolge van een infectie (zweer, zwerage, zwerije). [N 84 (1981)] I-9, III-1-2
zweet zweet: schweit (Valkenburg), sjweit (Valkenburg), zweit (Valkenburg) zweet [N 10 (1961)] III-1-2
zwellen zwellen: žwillə (Valkenburg) zwellen [ZND 25 (1937)] III-1-2
zwemmen zwemmen: zjwömme (Valkenburg), zjwəmə (Valkenburg) zwemmen [RND], [SGV (1914)] III-3-2
zwenghout, spoorstok ploegshaam: plōxs˱ām (Valkenburg  [(incl de strengen)]  ), ploegstang: plōxštaŋ (Valkenburg) Het dwarshout waaraan van voren de strengen of trekkettingen van het paard bevestigd zijn en dat van achteren aan een akkerwerktuig (ploeg, eg, e.d.) gekoppeld is. Zie afb. 98. [JG 1b + 1c + 1d + 2c; JG 2b-4, 3; N 11, 34a; N 11A, 103 + 103e; N 17, 69a add.; L 34, 11 add.; L 49, 26 add.; A 30, 26 add.; G 1, 26 add.; div.; monogr.] I-2
zweren, etteren etteren: ettere (Valkenburg), zweren: zjwêre (Valkenburg) etteren [SGV (1914)] || zweren (etteren) [SGV (1914)] III-1-2
zwerm bijenklots: bi-jǝklots (Valkenburg), bijenzwerm: biǝžwɛrm (Valkenburg), zwerm: žwɛrm (Valkenburg) Het geheel van bijen met koningin dat de korf of kast verlaat. Een zwerm bestaat doorgaans uit een koningin, 10- tot 20-duizend werkbijen en een paar honderd darren. Zij zullen een nieuwe woning gaan zoeken. [N 63, 29d; S 3; L 1a-m; JG 1a+1b; Ge 37, 100; A 9, 6; monogr.] II-6
zwerm vogels zwerm: sjwerme (Valkenburg, ... ) zwermen III-4-1
zwermen zwermen: žwɛrmǝ (Valkenburg) Het verlaten van korf of kast van een deel van het bijenvolk onder aanvoering van een koningin. Zij gaat een nieuw volk vormen. Een dag of acht, negen, voordat de nieuwe moer of koningin uit de koninginnecel komt, verdwijnt de oude moer met een deel van het volk. De moer wordt door de werkbijen wat meer voor het vliegen geschikt gemaakt door haar enorme legtempo wat te temperen. Dit doen ze door het eiwitrijke voedsel, dat de moer anders krijgt, wat te minderen. Het zware achterlijf slinkt dan in en de moer krijgt krachten om de vleugels te kunnen uitslaan of anders gezegd om te kunnen zwermen. [N 63, 29a; S 3; L 1a-m; JG 1a+1b; Ge 37, 99; monogr.] II-6