| 19399 |
glasgordijn |
gordijn:
gordien (L268p Velden)
|
Dun gordijn van gaas of andere fijne stof, dat vlak voor het raam hangt (gordijn, glasgordijn, vitrage) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19386 |
glazenkast |
buffet:
buffet (L268p Velden)
|
Kast met opbouw, voor zilver- of glaswerk (buffet, zilverkast, glazenkast) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 20556 |
glazig |
glazerig:
glazerig (L268p Velden)
|
glazig; Hoe noemt U: Hard en doorschijnend, gezegd van aardappelen (schier, glazerig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29571 |
gleiswerk |
aardewerk:
ē̜rdǝwęrk (L268p Velden)
|
Geglazuurd aardewerk. Het woordtype faïence (Q 156) is van toepassing op geglazuurd en geschilderd aardewerk, oorspronkelijk afkomstig uit Faënza, later naar voorbeeld hiervan ook elders vervaardigd. [N 20, 5; L 35, 78; monogr.]
II-8
|
| 22376 |
glijbaan |
roetsjbaan:
/
roetsbaan (L268p Velden),
roetsjbaan (L268p Velden)
|
glijbaan [SND (2006)]
III-3-2
|
| 17853 |
glijden |
slidderen:
sliddere (L268p Velden)
|
glijden [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 24316 |
glimworm |
glimworm:
glimworm (L268p Velden, ...
L268p Velden),
ideosyncr.
glimworm (L268p Velden, ...
L268p Velden)
|
glimworm [SGV (1914)], [ZND 18G (1935)] || Het wijfje is vleugelloos, 12-18mm lang, bruinachtig van kleur, het halsschild is geel omrand. Het heeft vrij sterke lichtorganen op het einde van het achterlijf (glimworm, lichtmaaike, viermaai, gloeiige worm) [N 83 (1981)] || Hoe noemt u een soort kever: het mannetje is gevleugeld. Het kan 11-16mm lang worden. Het is bruinachtig van kleur en is in staat een geelgroen licht uit te stralen met behulp van lichtorganen op het achterlijf (glimkever) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 19456 |
gloed |
warmte:
wermte (L268p Velden)
|
Hitte, warmte die van een vurige massa uitstraalt (gloed, hitte, warmte) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 18957 |
gluiperd |
stiekeme, een -:
stiekeme (L268p Velden)
|
gluiper [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18956 |
gluiperig |
gluiperig:
gluuperig (L268p Velden)
|
gluiperig: hij is - [DC 16 (1948)]
III-1-4
|