| 19960 |
mannelijke hond, reu |
reu:
røͅij (P227p Vorsen)
|
reu [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 19822 |
mannelijke kat, kater |
kater:
koͅwətər (P227p Vorsen),
ká’tər (P227p Vorsen)
|
kater [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 18585 |
mannenonderhemd |
lijfje:
lefke (P227p Vorsen)
|
Mannenondergoed [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 20468 |
manziek |
mansgek:
mansgek (P227p Vorsen)
|
manziek [heet] [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 21271 |
markt |
markt:
mɛrək (P227p Vorsen)
|
markt [RND]
III-3-1
|
| 20469 |
masturberen |
afspelen:
afspelen (P227p Vorsen, ...
P227p Vorsen),
be de kut spelen:
bij de kut spelen (P227p Vorsen, ...
P227p Vorsen)
|
onanie plegen, zichzelf bevlekken [zn eige aftrekke, afspelen] [N 10C (1995)], [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 33044 |
mathaak |
pikhaak:
pekhōk (P227p Vorsen)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 22491 |
matsen |
beteenspannen:
bëtieënspanne (P227p Vorsen)
|
in het voordeel van een ander spelen, met een andere speler samenspelen [materen, opeenspelen, opspannen] [N 112 (2006)]
III-3-2
|
| 20909 |
mayonaise |
mayonaise:
màjónéés (P227p Vorsen)
|
mayonaise [RND]
III-2-3
|
| 18161 |
medicijn |
medicament:
medicament (P227p Vorsen)
|
Medicijn, geneesmiddel (geneesmiddel, medicijn, medicament, (pillen)) [N 107 (2001)]
III-1-2
|