| 23298 |
kerkklok |
klok:
də klejpel van de klok (Q172p Vroenhoven)
|
De klepel van de klok. [ZND 28 (1938)]
III-3-3
|
| 22803 |
kermis |
kermis:
kirəməs (Q172p Vroenhoven),
murge ès het kerremes (Q172p Vroenhoven)
|
kermis [RND] || Morgen is het kermis. [ZND 39 (1942)]
III-3-2
|
| 34077 |
kern |
levendige hoorn:
lēvǝndegǝ hōn (Q172p Vroenhoven),
uitsprong:
ūtsprǫŋ (Q172p Vroenhoven)
|
Uitsteeksel dat komt bloot te liggen, wanneer de koe een hoorn afstoot. [A 4, 15; L 20, 15]
I-11
|
| 23242 |
kerstmis |
kerstmis:
kjeusmes (Q172p Vroenhoven)
|
Hoe vertaalt men in uw dialect: Kerstmis? [ZND 20 (1936)]
III-3-3
|
| 32783 |
kettingeg, weide-eg |
kettel[eg]:
kętǝl[eg] (Q172p Vroenhoven)
|
De kettingeg bestaat uit een vier-, soms driehoekig raam of slechts uit een losse voor- en achterbalk, waartussen kettingen gespannen zijn. Aan deze kettingen zijn korte en lichte tanden bevestigd. Zie afb. 13 en 14. Met de kettingeg wordt voornamelijk licht werk verricht. Het bekendst is het gebruik als weide-eg. Men bewerkt de weide met de kettingeg om de grasmat luchtiger te maken, om mest te verspreiden en molshopen te slechten. Men kan de kettingeg ook gebruiken om gerooide en in panden gelegde suikerbieten van de aanklevende aarde te ontdoen. Soms wordt met de kettingeg ook akkerland bewerkt. Van enige termen aan het einde van het lemma vindt men de plaatselijke varianten in het lemma ´akkersleep, weidesleep´ vermeld. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b + 2c; A 13, 16b; A 40, 10; N 11, 72e + 71 add.; N 11A, 163a + 181f; N 14, 81 add.; N J, 10; N P, 18b; monogr.]
I-2
|
| 19496 |
keukenrek |
rek:
reͅk (Q172p Vroenhoven),
schotelplank:
šu̯otəlplāŋk (Q172p Vroenhoven)
|
de plank waarop het keukengerief wordt gezet [ZND 32 (1939)]
III-2-1
|
| 18208 |
kiel |
kiel:
keel (Q172p Vroenhoven),
kel (Q172p Vroenhoven),
kieltje:
kēlkə (Q172p Vroenhoven)
|
kiel || kiel (kledingstuk voor mannen) [ZND 27 (1938)]
III-1-3
|
| 33163 |
kiemen, schieten, botten van pootaardappelen |
kiemen:
kimǝ (Q172p Vroenhoven),
kijnen:
kęi̯nǝ (Q172p Vroenhoven),
schieten:
šētǝ (Q172p Vroenhoven)
|
J. Goossens heeft in zijn enquêtes twee begrippen afgevraagd: "kiemen" (algemeen van een zaadje) en "botten" (gezegd van een pootaardappel, wanneer deze in de kiembak ligt); afgezien van een klein fonetisch detail zijn er géén afwijkingen tussen beide lijsten van antwoorden, behoudens in P 187, waar "botten" jongen (wellicht schertsend?) is; in Q 3, 5, 9 en 187a waar voor de aardappel botten wordt gegeven (wellicht invloed van de cultuurtaal) en in Q 156 waar voor de aardappels ze zijn gehikt werd opgegeven. De opgaven van beide lijsten zijn derhalve in dit lemma samengenomen. Kienen moet begrepen worden als een contaminatie van kiemen (voor de klinker) en kijnen (voor de slotmedeklinker). Zie ook de toelichting bij het voorgaande lemma Scheut. [N M, 16b; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; add. uit S 17]
I-5
|
| 17764 |
kies |
dikke tand:
nə dikke tānt (Q172p Vroenhoven, ...
Q172p Vroenhoven),
maaltand:
maoltaant (Q172p Vroenhoven)
|
een dikke tand; indien er twee verschillende woorden bestaan, de beide woorden opgeven voor: een dikke tand geheel achter in de mond [ZND 29 (1938)] || een dikke tand; indien er twee verschillende woorden bestaan, de beide woorden opgeven voor: een gewone dikke tand [ZND 29 (1938)]
III-1-1
|
| 20498 |
kieskauwer |
keverbek:
verzamelfiche ook mat. van ZND 1(a-m)
kēvərbeͅk (Q172p Vroenhoven),
kieverbek (Q172p Vroenhoven)
|
kieskeurig [ZND 27 (1938)]
III-2-3
|