| 24432 |
schaatsenrijder |
waterloper:
waterluiper (L289p Weert),
waterspin:
waterspin (L289p Weert)
|
schaatsertje: Hoe noemt u het insect dat met schokkende bewegingen over het water lijkt te schaatsen? Het lijf van het insect staat op lange poten op het water. [N100 (1997)]
III-4-2
|
| 22866 |
schaatsijzer |
ijzertje:
de ieërzerkus (L289p Weert),
schaatsijzer:
/ (schaatsiezer) (L289p Weert)
|
Noemt men het stalen onderdeel, dat over het ijs glijdt en dat geregeld geslepen moet worden, met een afzonderlijk woord? Zo ja, hoe luidt dit? [DC 23 (1953)]
III-3-2
|
| 22155 |
schacht |
schacht:
schacht (L289p Weert)
|
Hoe heten de onderdelen van de slagpen? (de cijfers tussen haakjes verwijzen naar tekening 3): schacht (3) [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 25043 |
schaduw, lommer |
scheem:
de scheem (L289p Weert),
schiem (L289p Weert),
schieëm (L289p Weert)
|
(de) schaduw [DC 23 (1953)] || schaduw [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 21092 |
schaften |
schaften:
(= eten).
schafte (L289p Weert)
|
het werk onderbreken om te rusten [schaften, schaffen, poren] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 21483 |
schafttijd |
schofttijd:
sxufti.t (L289p Weert)
|
schafttijd [RND]
III-3-1
|
| 19129 |
schande |
blamage:
blamaasj (L289p Weert),
schande:
schang (L289p Weert)
|
schande || Schande [scha.nd]. [N 96D (1989)]
III-1-4, III-3-3
|
| 24465 |
schapenhorzel |
vlieg:
vleeg (L289p Weert)
|
schapenhorzel (larven in de neusholte) [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 33402 |
schapestal, schaapskooi |
schaapskooi:
sxǫpskø̄i̯ (L289p Weert),
schaapsstal:
sxǭps[stal] (L289p Weert)
|
De stal, doorgaans een apart gebouw, waarin de schapen overnachten. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [L 38, 29; A 10, 9f; N 5, 105f; monogr.]
I-6
|
| 31910 |
scharnierbeitel |
fitsbeitel:
fets˱bęjtǝl (L289p Weert)
|
Hakbeitel waarvan heft en blad uit één stuk staal gesmeed zijn. Het beitelblad heeft aan de voorkant een zeer smalle, schuingeslepen zijde. De beitel wordt gebruikt voor het aanbrengen van smalle sleuven en gaten en vaak ook voor het inhakken van de sleuven voor scharnieren. Zie ook afb. 67. Een holte in een kozijn maken met behulp van de scharnierbeitel werd in Gronsveld (Q 193) infitsen (īnfetšǝ) genoemd. [N 53, 41-42; N G, 27b; monogr.]
II-12
|