| 26494 |
ringhout |
ring:
rɛjŋk (Q078p Wellen)
|
Het ronde hout waarop de steenkuip staat. Zie ook afb. 81. Het woorddeel ømeelŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 19b; Sche 49; Vds 145; Jan 152; Coe 133; Grof 154; A 42A, 36 add.; N D, 33 add.]
II-3
|
| 26615 |
ringmeel |
ringmeel:
rɛjn[meel] (Q078p Wellen)
|
Meel dat rondom de ligger in de steenkuip gevallen is. In l 288b verstond men onder ringmeel het meel dat rondom de stenen zat. Wanneer de stenen pas gescherpt waren en de molen opengebroken was geweest, gooide men er ringmeel over alvorens met malen te beginnen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømeelŋ het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 37e; Vds 161; Jan 166; Coe 151; Grof 179; A 42, add.; A 42A, 48 add.]
II-3
|
| 24234 |
ringmus |
ringmus:
vdBerg; omgesp.
rēͅŋkmys (Q078p Wellen)
|
ringmus (14 bijna gelijk aan de huismus, maar chocoladepetje en -plekje op de wang; broedt meer in hol hout; vaak op trek in flinke troepen [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 18103 |
ringworm |
rad van sint-catharina:
rowed va sinte ketrien (Q078p Wellen)
|
Huidziekte in de vorm van een wiel (omloop, Sinte-Katrien, wiel/rad, ring(el)worm). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 21214 |
riool |
goot:
goot (Q078p Wellen),
riool:
rijoul (Q078p Wellen)
|
De dikke buizen onder de grond [ZND 24 (1937)] || Riool (onderaardse buis tot afvoer van vuil water, enz.). [ZND 06 (1924)]
III-3-1
|
| 28794 |
rips |
rips:
rēps (Q078p Wellen)
|
Dichtgeweven, geribde stof, oorspronkelijk van katoen maar later ook van andere stof. [N 62, 79b; MW; monogr.]
II-7
|
| 18214 |
ritssluiting |
rits:
rets (Q078p Wellen),
rits (Q078p Wellen),
tirette (fr.):
tirɛt (Q078p Wellen)
|
Hoe noemt U een ritssluiting? [N 62 (1973)] || tirette: metalen treksluiting || Treksluiting, sluitmiddel voor kleppen van kledingstukken, tassen en dergelijke, bestaande uit twee stroken met metalen klauwtjes die door een verschuifbaar plaatje in elkaar gehaakt worden (Van Dale, pag. 2417). [N 62, 63; MW]
II-7, III-1-3
|
| 18058 |
rochelen |
rochelen:
rochele (Q078p Wellen)
|
fluimen door de keel opbrengen. [ZND m]
III-1-2
|
| 33478 |
rode aalbes |
rode kroezelen:
roj kroezele (Q078p Wellen),
verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u en ZND02, 4
rooi kroezel (Q078p Wellen),
sint-janskroezelen:
verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u en ZND02, 4
sint-janskroezel (Q078p Wellen),
sint-janskroezele (Q078p Wellen)
|
aalbes [ZND 01 (1922)] || rode aalbes [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 33257 |
rode klaver |
rode klaver:
rōi̯ǝ [klaver] (Q078p Wellen)
|
Trifolium pratense L. Een 15 tot 50 cm hoge plant met paarsrode of roze bloemhoofdjes, die van juni tot de herfst bloeien. Rode klaver wordt vooral als veevoeder geteeld. Rode klaver gedijt, overigens evenals witte klaver, het best "onder dekvrucht", d.w.z. dat het tegelijk met een winterkoren wordt gezaaid en dan pas opkomt wanneer die dekvrucht in de herfst is geoogst. In het volgende seizoen wordt de klaver dan geweid of enkele malen gemaaid. Rode klaver is wat "kieskeuriger" dan witte klaver, stelt hogere eisen aan de grond, maar schiet goed recht op en laat zich gemakkelijker maaien. Zie ook de toelichting bij het lemma Klaver, Algemeen. Zie het lemma Klaver, Algemeen voor de fonetische documentatie van de woord(delen) klaver(-) en klee(-). [N 14, 83; monogr.]
I-5
|