e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Wijk

Overzicht

Gevonden: 961
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
graven (mv.) graven: graver (Wijk) De graven meervoud [graaf, graver, jraver, grèèver?]. [N 96A (1989)] III-3-3
gregoriaanse misgezangen gregoriaanse zang: gregoriaonse zaank (Wijk) Gregoriaans, gregoriaanse gezangen. [N 96B (1989)] III-3-3
grijns grijn: grien (Wijk) grijns [grijnst] [N 10 (1961)] III-1-4
grijpen naar grijpen: griepe (Wijk) grijpen naar iets [naar iets raome] [N 10a (1961)] III-1-2
groeizaam weer meischeutje: (in het voorjaar)  mèjsjeutsje (Wijk) mals regenachtig weer (in de zomer) [vers, vörs] [N 22 (1963)] III-4-4
grof gebouwd grof: groof (Wijk) zwaar van lichaamsbouw [grof, stug, struis] [N 10 (1961)] III-1-1
grof gebouwde vrouw machochel: en megochel (Wijk), mokkel: en mokkel (Wijk) fors gebouwde vrouw [megochel, schommel] [N 07 (1961)] III-1-1
groflinnen beenwindsel puttee (eng.): poeties (Wijk), slobhoos: slöphooze (Wijk) windsels, groflinnen lappen of ~ die bij koud of nat weer en bij vuil werk met linten of knopen om de broekspijpen worden gebonden [slophooze, beenslette, beenwagge, gette, slikbagge] [N 24 (1964)] III-1-3
gulden gulden: gulde (Wijk), unne gölden (Wijk) gulden, een ~ [kent uw dialect ook namen als piek, pieterman of andere?] [N 21 (1963)] III-3-1
gulp van een broek gulp: gőllep (Wijk), gőlp (Wijk), gullep (Wijk) gulp, met knoopjes te sluiten voorsplit [rötsj, fluitje] [N 23 (1964)] III-1-3