| 21506 |
liberaal |
liberaal:
liberoal (P172p Wilderen)
|
Het is een liberaal. [ZND 37 (1941)]
III-3-1
|
| 17540 |
lichaam |
lichaam:
lichaam (P172p Wilderen),
lijf:
lèf (P172p Wilderen)
|
het lichaam [ZND 30 (1939)] || het lijf [ZND 30 (1939)]
III-1-1
|
| 19353 |
lichtgeraakt, kregel |
kril:
ook materiaal znd 28, 49
kril (P172p Wilderen),
rap gelegd:
ook materiaal znd 28, 49
rap gelet (P172p Wilderen)
|
kregel [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 21473 |
lid van een vereniging |
lid:
lid (P172p Wilderen)
|
Lid van een vereniging. [ZND 37 (1941)]
III-3-1
|
| 22750 |
lied, liedje |
liedje:
li.tsə (P172p Wilderen),
altijd verkleind
lieke (P172p Wilderen)
|
Een lied, een liedje. [ZND 30 (1939)] || liedje [RND]
III-3-2
|
| 19085 |
liegen |
liegen:
liege (P172p Wilderen)
|
liegen [ZND 25 (1937)]
III-3-1
|
| 17647 |
lies |
lies:
liès (P172p Wilderen),
liest:
list (P172p Wilderen),
lijst:
list (P172p Wilderen)
|
de lies (plooi van de dij) [ZND 30 (1939)] || De twee huidplooien die de grens vormen tussen het onderste gedeelte van de buik en het bovenste gedeelte van het been. Zie afbeelding 2.28. [JG lb; N 8, 32.10] || Het vel of vlies rond een windei. [JG 1b, 1c, 2c]
I-12, I-9, III-1-1
|
| 17816 |
liggen |
liggen:
ligge (P172p Wilderen)
|
liggen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 21098 |
lijnzaadmeel |
lijzendmeel:
lēzǝtmēl (P172p Wilderen),
lɛ̄ǝzǝtmīǝl (P172p Wilderen)
|
De gedroogde pulp die overblijft na het slaan van de olie uit het lijnzaad. Het meel wordt als veevoeder gebruikt. Indien in samenstellingen met lijnzaad- dit woorddeel onverkort is gebleven en gelijk aan de opgave voor lijnzaad in dat lemma, dan is hier naar de variant van het lemma Lijnzaad, Vlaszaad verwezen. Voor de typen lijzend en lijzens naast lijzaad zie de toelichting bij het lemma Lijnzaad, Vlaszaad. [monogr.; add. uit L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59; RND 31]
I-5
|
| 21478 |
liniaal |
lat:
’n lat (P172p Wilderen)
|
Een liniaal (om rechte lijnen te trekken). [ZND 30 (1939)]
III-3-1
|