| 18301 |
laars tot of boven de knie |
hoge laars:
hugə lējəzə (P044p Zelem)
|
laars waarbij de schacht het hele onderbeen bedekt [kapleers, kapsjtievel, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18374 |
laarzenschacht |
scheen:
sxenə (P044p Zelem)
|
schacht van een laars [sjach, sjteevelschach] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 25422 |
ladder |
leer:
liǝjǝr (P044p Zelem),
lęjǝr (P044p Zelem)
|
Een ladder met bovenaan een lat waaraan een koord bevestigd is. Het geschoren en gereinigd varken wordt met de rug op de ladder gelegd. Als de achterste poten aan de bovensporten van de ladder zijn vastgesjord, wordt ze overeind gezet. Het varken komt met de snuit omlaag te hangen. [N 5aII, 62b; N 28, 64; N 28, 67; monogr.]
II-1
|
| 34581 |
ladderboom |
leerboom:
līrbūǝm (P044p Zelem)
|
Elk van de twee balken van een zijladder waartussen zich de sporten bevinden. [JG 1a; JG 1b]
I-13
|
| 27367 |
laden |
laden:
lǭǝ (P044p Zelem)
|
De kar laden. Vergelijk ook WLD I, afl. 4, p. 84 ev [JG 1a, 1b; L 37, 14; Wi 33, 39; add. bij N 18]
I-10
|
| 27854 |
lading |
vracht:
vraxt (P044p Zelem)
|
Datgene wat op de kar of kruiwagen wordt geladen. [JG 1a, 1b; Wi 52; monogr.]
I-10
|
| 18304 |
lage herenschoen, molière |
molire (fr.):
moljērs (P044p Zelem)
|
herenschoenen, lage ~ [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32447 |
lage klomp |
klonk:
[klonk] (P044p Zelem)
|
Klomp met een lage en korte kap die slechts het voorste deel van de voet bedekt. Over de klompopening is een leren riem aangebracht die door middel van kleine spijkertjes met platte kop wordt vastgezet. Zie ook afb. 260. Het woord(deel) klomp is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛklompɛ.' [N 24, 70c; monogr.]
II-12
|
| 18377 |
lage klomp? |
klonk:
klunk (P044p Zelem)
|
klomp, lage open ~ met een riem over de wreef [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 33702 |
lage, natte plekken in moeras |
poel:
pul (P044p Zelem)
|
De lager gelegen delen in een moeras waarin steeds water staat. [N 27, 21b]
I-8
|