e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
beurs, overrijp aangestoken: aagestoake (Horst), blet: blèt (Lontzen), blɛt (Welkenraedt), buikziek: boeksig (Velden), boekzeek (Lottum, ... ), boekzēēk (Arcen), boekziek (Blitterswijck, ... ), boekzīēk (Swolgen, ... ), bŏĕkzeejk (Nederweert), brŭŭziek (Gennep), buikziek (Herten (bij Roermond)), buk˃zīk (Castenray, ... ), byk˃zīk (Gennep, ... ), bükziek (Afferden), (veiling)  buikziek (Lanaken), doorrijp: deurrijp (Tessenderlo), doər rijp (Kleine-Brogel), dø̄rreͅi̯p (Lommel), faux: foak (Oirsbeek), foeak (Ophoven), foik (Puth), fooek (Schinnen), [zie ook fookaa in Wdb van het Sittards Dialect, blz. 103]  fook (Bingelrade), n foekke pèèr: een rotte peer  foek (Valkenburg), oe v. boer  foeək (Brunssum), fauxcas: fo-ka (Zepperen), foeka (Mheer, ... ), foekak (Valkenburg), foka (Eigenbilzen, ... ), fooaka (Wellen), fooka (Wellen), fookak (Sint-Huibrechts-Hern), fookat (Heers), fouka (Wellen), fōka (Martenslinde, ... ), fōkak (Martenslinde), voakak (Ophoven), voeakakə (Ophoven), voekak (Maaseik), voeëkak (Ophoven, ... ), voeəgkag (Opitter), voëkak (As), vōkak (Genoelselderen), vōōkak (Gruitrode), vuka (Herk-de-Stad), zachte k  vōhak (Schinveld), floetsetig: flu.tšətəx (Eupen), gelp: gelp (Venlo), gemutst: gəmø͂ͅtš (Hasselt), goed rijp: goed rijp (Lommel), halfrot: haaf rot (Veldwezelt), half rōt (Tessenderlo), hauf rot (As), haəfroͅt (Neeroeteren), heel rijp: hiel rèip (Hasselt), kwak: kwak (Guigoven, ... ), kwets: kwetsj (Stokkem), mals: mals (Aalst-bij-St.-Truiden, ... ), mats: matš (Montfort), meelachtig: meejlechtig (Kermt), meelechtig (Sint-Huibrechts-Lille), meeëlechtig (Mielen-boven-Aalst), meileteg (Zichen-Zussen-Bolder), melletig (Grote-Spouwen), mēͅlextix (Maaseik), miëlechtig (Alken), m‧eələtəx (Eupen), meer als rijp: mee es reep (Martenslinde), mier as rijp (Aalst-bij-St.-Truiden), meer as rijp: mēər as rēͅp (Diepenbeek), melig: maelig (Baarlo), mēͅlix (Hamont), moesrijp: moͅu̯srē.əp (Borgloon), murg: merg (Genk, ... ), merreg (Weert), merrig (Genk, ... ), meurg (Lanklaar, ... ), mērg (Gruitrode), meͅrg (Opglabbeek), murg (Boorsem, ... ), mŭrg (Maaseik), märĕg (Beek (bij Bree)), mèrg (Gruitrode), mörg (Echt/Gebroek, ... ), mörrig (Mheer), mørx (Lommel), mørəx (Mechelen-aan-de-Maas), mø͂ͅlex (Hamont), mø͂ͅrx (Lanaken), mø͂ͅrəx (Lanaken), møͅrx (Eisden, ... ), møͅrəx (Lanaken, ... ), mərg (Kaulille, ... ), mərəx (Zonhoven), zeer rijp gelijk t behoort  mörg (Opitter), ¯n mörreg peer mörrige kies: zachte weke kaas  mörreg (Maastricht), murw: merew (Lommel), merf (Grote-Spouwen, ... ), meurf (Lommel, ... ), mĕŭrf (Heppen), me͂ͅrf (Zichen-Zussen-Bolder), mierf (Houthalen), murf (Bree, ... ), murref (Neerpelt), murw (Bocholt, ... ), murx (Sint-Lambrechts-Herk), muərf (Kwaadmechelen), mūərəf (Leopoldsburg), mèrch (Peer), mèrf (Hasselt, ... ), mörv (Wijchmaal), mørf (Lommel), mø̄ərf (Sint-Huibrechts-Lille), mø͂ͅrf (Jeuk), møͅrf (Mechelen-aan-de-Maas), møͅərəf (Ulbeek), mürf (Houthalen), mürv (Lontzen), mərf (Sint-Truiden, ... ), mərəf (Mielen-boven-Aalst), overrijp: euverreeëp (Zepperen), euverrièp (Herten (bij Roermond)), euverriëep (Tungelroy), everrijp (Kuringen), ieverriep (Gruitrode), overriep (Houthalen), ø̄vərrīp (Venlo), ø̄vərrɛi̯p (Zonhoven), ø͂ͅvərrī.p (Eupen), pappetig: pappetig (s-Herenelderen), pappetig rijp: pappeteg reep (Zichen-Zussen-Bolder), pappetig reep (Riemst), pappətig rajp (Rijkhoven), pappətig reep (Eigenbilzen), paprijp: paprajp (Rijkhoven), papreep (Zichen-Zussen-Bolder), papreijp (Sint-Huibrechts-Hern), papreip (Koninksem), paprēp (Rijkhoven), paprēͅp (Diepenbeek, ... ), papriep (Dilsen, ... ), paprijp (Beverst, ... ), paprèp (Heers), papréjəp (Gutshoven), plat: plat (Beringen), platrijp: platreip (Hasselt), pratsmurg: De biere zint pratsjmur¯rieg  pratsjmur’rieg (Bleijerheide, ... ), rijp: raaip (s-Herenelderen), reep (Zichen-Zussen-Bolder), reeəp (Rijkel), reijp (Vliermaalroot), rēp (Hasselt), rēͅp (Neerrepen), riejəp (Sint-Truiden), riep (Opoeteren), rieëp (Kaulille), rijep (Sint-Lambrechts-Herk, ... ), rijp (Diepenbeek, ... ), rijəp (Herk-de-Stad, ... ), rīp (Boorsem, ... ), roip (Vliermaalroot), rɛiep (Zepperen), rot: de pèar is rŭs (Griendtsveen), rot (Bilzen, ... ), roͅt (Beringen, ... ), rotrijp: rotreip (Hasselt), rottig: rottig (Opoeteren), snotrijp: snoͅtreͅi̯p (Hoeselt), snotsrijp: snoets rīēp (Noorbeek), snotsriep (Neeroeteren, ... ), strontrijp: stroͅntreip (Hasselt), te mals: te malsch (Sint-Truiden), te mem: te mem (Val-Meer), te murg: te merg (Gelieren/Bret), te mĕrig (Peer), te murg (Bocholt), te mêrig (Opoeteren), te murw: te murref (Paal), te plat: te plat (Beverlo, ... ), te rijp: te raaip (Mal), te raip (Genoelselderen), te reep (Kleine-Spouwen, ... ), te reiep (Paal), te reip (Bilzen), te reiëp (Kuringen), te reèp (Paal), te reəp (Schulen), te rēp (Mettekoven), te riep (Grote-Brogel, ... ), te rieëp (Neerpelt), te rijp (Aalst-bij-St.-Truiden, ... ), te rijëp (Beverlo), te rijəp (Piringen), te riëp (Maaseik), te rīēp (Overpelt, ... ), te rījp (Jeuk), te rīp (Elen, ... ), te rīəp (Neerglabbeek), te rèp (Hechtel, ... ), te rèpe (Beverlo), te rɛjəp (Halen), theeə reiəp (Hoepertingen), tə rēi̯əp (Lummen), tə rēəp (Zonhoven), tə rēͅp (Lummen, ... ), tə reͅi̯p (Hasselt, ... ), tə rī.p (Eupen), tə rīp (Lanaken), tə räjəp (Zepperen), te zacht: te zeucht (Peer), veel te plat: veul te plat (Paal), veel te rijp: vø̄l tə reͅi̯p (Lommel), voos: voewəs (Kermt), vooës (Borlo), vōͅs (Hoepertingen), vuəs (Rekem), vūs (Sint-Truiden), weps: weps (Heers), wrak: wrak (Kerkom) beurs [ZND 01 (1922)], [ZND 21 (1936)] || beurs, overrijp || beursch (de peer is ~) [SGV (1914)] || binnenrot, beurs, overrijp || Hoe noemt u: vruchten die overrijp zijn van binnen (beurs, buikziek?) [N 72 (1975)] || overrijp [ZND m] || overrijp, murw [ZND 31 (1939)] || zacht, overrijp fruit III-2-3