30263 |
dagstuk |
afkantplanken:
āfkantjplaŋkǝ (L387p Posterholt),
bekleedsel:
bǝklɛtsǝl (K353p Tessenderlo),
dagstuk:
dāxstøk (Q018p Geulle),
dāxstø̜k (Q015p Stein),
dāxštøk (L385p Sint Odilienberg),
deurbekleding:
diǝrbǝklējeŋ (Q083p Bilzen),
negplanken:
nɛxplaŋkǝ (L387p Posterholt),
voering:
vōreŋ (L385p Sint Odilienberg, ...
Q015p Stein)
|
Elk van de planken van 2 √† 3 cm breedte die dienen om de ruwe dagkanten van de muuropening aan het gezicht te onttrekken. De dagstukken vormen een vast raamwerk rond de deur dat op de muurblokken wordt vastgespijkerd. Zwiers 1907 merkt hierover op pag. 92 op: ø̄Kozijnen zijn niet bepaald noodig. In vele landen en ook in het zuiden van ons land worden ze niet toegepast en draaien de ramen en deuren √≤f onmiddellijk tegen den muur, √≤f sluiten tegen-, en vinden hunnen aanslag in houten dagstukken. De kozijnen verdienen echter alle aanbeveling, daar zij ons in staat stellen eene meer tochtvrije afsluiting tusschen onze vertrekken en de buitenlucht te bewerken. Waar echter eene zoodanige afsluiting niet wordt gewenscht, laat men ook hier te lande de kozijnen wel achterwege, zooals 't geval is bij tuindeuren, deuren van goederenloodsen, bij winkelramen enz.ø̄ [N 55, 19a; N 55, 149b]
II-9
|