e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
knorren (wbd) <uitdr.> de buik vol: de boek vol (Thorn), boeren: ps. invuller twijfelt over het antwoord!  boere ? (Nunhem), brabbelen: brabbele (Schimmert), fronselen: ps. geprobeerd om te spellen, maar ken het Eksels dialect niet!  frōͅəzələn (Eksel), grommelen: greumələ (Heel), grommen: grömt (Stein), grunselen: grunzele (Venray), hameren: homere (Swalmen), kaaieren: kaaiere (Schimmert), kazelen: cf. WNT: sub wielewalen (I), 3. (Gewest.) Onsamenhangende taal of onzin uitslaan; steeds van gespreksonderwerp wisselen; wauwelen, kletsen, zeuren. [...] kazelen, zeuren (Maasen en Goossens).  kaowzelen (Jeuk), keubelen: keubelen (Gennep), keuteren: vgl. Sittard Wb. (pag. 176): keutere, gebrekkig spreken.  keutere (Geleen), keuvelen: Van Dale: keuvelen, praten om te praten, babbelen, vertrouwelijk met elkaar praten over koetjes en kalfjes.  keuvələ (Roermond), kneden: vgl. Weerlands Wb.2 (pag. 182): knaeje, kneden van deeg in trog, trappelen in deeg, prakken. N[ederweert] ook: knaaje [kneden, prakken, ernstig nadenken].  knaeje (Weert), kneuteren: Van Dale: kneuteren, 1. brommen, kniezen, knorren.  kneutere (Maasbree, ... ), kneuteren (Heythuysen, ... ), knieren: kniere (Klimmen), [*Maastricht Wb.]  kniere (Maastricht, ... ), kniərə (Maastricht), knorren: Van Dale: knorren, 3. (fig.) zijn misnoegen, ontevredenheid uiten door boze woorden.  knorre (Herten (bij Roermond), ... ), knorre van plezeer (Blerick), knorren (Meijel), knōrre (Echt/Gebroek), knòrre (Sevenum), knòòre (Posterholt), knórrə (Venlo), knoteren: knoeëtərə (Wijnandsrade), knŏetere (Merkelbeek), Van Dale: knoteren, (gew.) 1. kneuteren; 2. mopperen, pruttelen.  knootere (Geleen, ... ), knootərə (Maastricht), knotere (Maastricht, ... ), knoteren (Maastricht, ... ), kraaien: [vgl. drieëne draaien, rk]  kriejne (Schaesberg), krieëne (Waubach), Van Dale: kraaien, 2. (als geluid van mensen) met schelle stem spreken, ok oneig.: een keel opzetten [...]; (van kleine kinderen die nog niet spreken kunnen) kreetjes, geluidjes voortbrengen die van plezier getuigen; (vand. ook van volwassenen), op duidelijke (overdreven) wijze uiting geven aan tevredenheid.  kraaien (Leopoldsburg), kraije (Maasniel, ... ), kreie (Maastricht), kreije (Susteren, ... ), krejje (Maastricht), kràäje (Schinnen), krèje (As), krèjen (Kesseleik), kraaieren: kraaiere (Sittard), kroelen: Van Dale: kroelen, (gew.) dicht tegen elkaar liggen of zitten; lekker warm ineengedoken (bij elkaar) in bed liggen. [WNT ook: zich koesteren].  kroele (Melick), kuielen: kèùjələ (Epen), kuieren: Van Dale: II. kuieren, (gew.) keuvelen, kouten, gezellig praten.  keujere (Caberg, ... ), keŭere (Schimmert), kuejere (Gronsveld), kuieren (Eys), kuijere (Maastricht, ... ), kuijeren (Bunde), kuimen: Van Dale: kuimen, (gew.) 1. zwak zijn, zich zwak voelen; -2. klagen, zuchten, kermen; -3. (gew.) kuchen.  kuume (Mheer), kūūmə (Heerlen), nirgelen: nirgələ (Heerlen), pruttelen: Van Dale: pruttelen, 2. morren, binnensmonds mopperen of tegenspreken; - (duratief) kankeren; -3. binnensmonds spreken of zeggen.  pruttələ (Maastricht, ... ), rauwelen: WNT: rauwelen, wsch. een mengvorm van wauwelen en revelen (of een ander synoniem dat met r begint, als rabbelen of ratelen). Kletsen, leuteren.  rauwele (Kerkrade), rouwele (Vaals), soezen: zoeze (Meijel), spinnen: spinne (Ittervoort), tevreden zijn: tevreeie zien (Hoensbroek), vertellen: vərtèllə (Kapel-in-t-Zand), vərtéllə (Susteren), wauwelen: waowələ (Vlijtingen), zoetjes knoeien: WNT: knoeien, A.6) Knorren, grommen, morren, pruttelen.  zuutjes knaoie (Venray) zachtjes kreunen en knorren, gezegd van kleine kinderen die voldaan en tevreden zijn [grutten, kaaieren] [N 87 (1981)] III-3-1