e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
onvast ter been (zijn) bouwvallig: bōwvɛləx (Montzen), daasachtig: daa.zééchtig (Panningen), dantelig: deͅntəlix sēn (Hasselt), daverachtig: zoe wah daverechtig (Hechtel), daverwatig: [Paragraaf: leven/gezondheid/ziekte/vermoeidheid].  daver`wetig (Boorsem), dazelachtig: daazelechtig (Heel, ... ), daazelächtig (Haelen), dazelechtig (Rekem, ... ), dazelejgtig (Boeket/Heisterstraat), dazelen: dazele (Montfort), däozele (Gronsveld), dazelen (ww.): daazele (Klimmen), daozele (Veldwezelt), dazele (Sittard, ... ), [Paragraaf: leven/gezondheid/ziekte/vermoeidheid].  dazele (Boorsem), [Paragraaf: regelmatige werkwoorden].  dazele (Boorsem), B.v. de zi:ke daa.zelde op zien bè.jn.  daa.zele (Panningen), B.v. dè zaatlap daazeldje ièrs get en toe veel der wie eine kloets neer.  daazele (Horn), onvast lopen  dazele (Klimmen), dazelig: daa.zelig (Panningen), dazelig (Brunssum, ... ), dazelig oppe bein (Nunhem), dōāzelich (Hoeselt), dazeltig: dazeltig (Klimmen), dollig: dullig (Maastricht), duinelen (ww.): doijnele (Diepenbeek), duizelachtig: disəleͅxtex (Opglabbeek), flauw te been: [sic]  foͅuw tə biən (Gingelom), gammel: gammel (Belfeld), geen spoor kunnen houden (uitdr.): gien [spy(3)̄r} kunnen houden (Meeuwen), hoddelen (ww.): hoddele (Mechelen), houterig: hoͅutərex (Achel), kadukelijk: i.e. kadukkelijk.  kadø`ələk (Tessenderlo), kramankelijk: krəmaeŋkələk (Smeermaas), kramikkig te been: kramikkig te been zen (Hoepertingen), kwanselachtig: kwansəleͅxtəx (Kwaadmechelen), lopen wie een zatte (vgl.): hè löp wie eine zaate (Berg-aan-de-Maas), los op de benen: los op de béén (Hoensbroek), los op te bein (Meerssen), los op z`n bein (Neerbeek), los op de poten: los op de peut zeen (Grevenbicht/Papenhoven), mankelijkig: mankelikkig (Sint-Truiden), mankementig: makəmeͅntəx (Paal), niet goed op de benen: neet goot oppe bein (Geleen), niet goed te been: neet good te bein zeen (Bree), niet stevig: ni stevəx (Lommel), steit ne:t ste:vig (Neeroeteren), niet vast op de benen: heͅ stot ni vast op zeͅn biənə (Beverlo), neet vas op de bein (Klimmen), neet vas op de bein zin (Reuver), neet vas op de bing (Vrusschemig), neet vast op de been (Maasniel), nēt faz op tə bäin (Kanne), ni fast op sən bijənə stōͅn (Tessenderlo), ni vas op zən bein (Tongeren), ni vast op də bejən stowən (Lommel), nie vas op de beé (Schaesberg), nie vas op z`n been zien (Bilzen), niet vast op pen been (Rimburg), nit vas op de bēē zīē (Waubach), niet vast op de poten: he is neet vas op de peuèt (Berg-aan-de-Maas), niet vast te poot: neͅi vas tə pōt (Val-Meer), niet vast ter been: neet vast ter beee͂ (Oirsbeek), onvast: onvas (Schimmert), onvas loupə (Tongeren), onvast (Blerick, ... ), B.v. onvast loewepde as ge zaat zijt.  onvast loewepde (Peer), onvast op de benen: onvaas op de bein (Blerick), onvas op de bein (Ulestraten), onvas oppen bee (Kerkrade), onzeker: őőnzekeejker (Maastricht), ônzeker (Oirlo), onzeker op de benen: onziéker op de bee (Nieuwenhagen), razelachtig: razelejgtig (Boeket/Heisterstraat), ruien (ww.): ruije (Middelaar), schrankelachtig: sjrankelechtig (Ell), schravelaar (zn.): det is eine sjraveliĕr (Neer), schravelachtig: schravelechtig (Broekhuizen, ... ), schrâvelechtig (Sint-Truiden), sjravelechtig (Baexem), schravelen (ww.): B.v. schravehle vehr verout te komen, dan blijfde beter thous.  schravehle (Peer), schravelig: schravelig (Tegelen, ... ), slap de benen: schlap de beng (Schaesberg, ... ), slap in de benen: slap in de beèn (Oost-Maarland), slap op de benen: schlap ôp de bee (Heerlen), slap op de bein (Blerick, ... ), slap oͅp tə bējn (Beverst), slap op de poten: sjlap oppe puet (Obbicht), slap te been: slap te bein (Wellen), slap te poot: slap te pot (Gingelom), slecht op de benen: schlech op de bein zeen (Valkenburg), schlecht op de bee (Kerkrade), sjlech op de bein (Baarlo), slech op de bein zin (Schimmert), slecht op de bein zien (Blerick), slecht te been: slech te bien (Vorsen), slecht te beejn (Jeuk), slecht te been (Alken, ... ), slecht te bein (Geistingen), slecht te bien (Zonhoven), slecht te poot: sleͅxt tə pūət (Leopoldsburg), slecht ter been: sjlecht ter bein (Herten (bij Roermond)), slechte benen onder hebben (uitdr.): sjlechte bein onger hubbe (Reuver), sporrig: schpörrig (Roermond), sporrig (Heerlen), strampelen (ww.): strampələ (Kinrooi), strampelig: sjtrampelig (Posterholt), strompelaar (zn.): det is eine strómpeliĕr (Neer), strompelen (ww.): sjtrompele (Beegden), strompele (Berg-aan-de-Maas), struikelachtig: strukelechtig (Broekhuizen), sukkelaar op de benen: ne sukkelaar op zijn benen (Lommel), sukkelachtig: søgəlɛxtəx (Meeswijk), søkəlaextex (Hamont), søkəlä:xtex (Hamont), søkəläxtəx luəpən (Overpelt), toffelig: toefelig (Hoensbroek), van de benen af (uitdr.): van de bein aaf (Ulestraten), vazel op de knoken: vazel oppe knö:k (Swalmen), waggelachtig: wagəleͅxtex (Houthalen), wagəläxtex (Neerpelt), waggelen (ww.): waggele (Gronsveld), waGGele (Maasbracht), waggele (Venlo), (F)  waggele (Roermond), waggelent?re: wackelentaere loupe (Puth), waggelenteͅre (Hees), waggelig: wagəlix (Heerlerheide), wakkelig (Hoensbroek, ... ), wankel: waankel (Maastricht), wankel (Belfeld, ... ), wankelachtig: wankelechtich (Holtum), wankelechtig (Obbicht), wankelen (ww.): wankele (Hoensbroek), waŋkələ (Tongeren), wankelent?re: waankelenteere (Sint-Pieter), wankelig: wankelig (Baarlo, ... ), wankəlik (Opheers), wiegelig: wiegelig (Venlo), zwabberen (ww.): sjwabbere (Panningen), zwak: zwaak (Ospel, ... ), zwak op de benen: dé is zwaok op zen béén (Oost-Maarland), sjwaak op de bèjn (Mechelen), zchwaak op de bein (Bunde), zjwaak oppe bein (Horn), zwaak op de bein (Tegelen), zwak op de poten: zwaak op de puu (Maastricht), zwak te been: zwaa:k te bieën zeeën (Kaulille), zwak tə beͅin (Bree), zwak ter been: zwaak ter bein (Weert), zwavelachtig: zwavel-echtig (Montfort), zwijmelen (ww.): zwiemelen (Eksel) duizelig zijn [DC 60 (1985)] || lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || lopen: onvast ter been [sporrig] [N 10 (1961)] || lopen: onvast, wankelend lopen [stroemele, striemele, strampele] [N 10 (1961)] || lopen: zonder doel rondlopen (over straat) [vendele, zwaddere, rakke] [N 10 (1961)] || onvast op benen staan, duizelig worden || onvast op de benen || onvast op zijn benen staan || Onvast ter been (dazelig, los/zwak/ slecht te been, schravelachtig). [N 109 (2001)] || Onvast, wankelend lopen (waggelen, strompelen, dazelen). [N 109 (2001)] || Wandelen: gemakkelijk en zonder zich in te spannen gaan (wandelen, kuieren, kachelen, tuinen). [N 84 (1981)] || wankelend, onvast op zijn benen III-1-2