e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zondagschender die houdt de zondag niet: er is geen zelfst. naamw.  dèè hilt dr zondig neet (Gulpen), die houdt zich niet aan de zondagsrust: di hawt zex ni ɛn də sondəsr"st (Meijel), die trekt zich niets van de zondag aan: dae trek zich nieks van der zondig aan (Klimmen), die werkt op zondag: dai wirtet op zunjig (Melick), dè wirkt op zondig (Schinnen), ene die zich niet aan de zondag houdt: eine dae zich neet aan de zóndig hilt (Grevenbicht/Papenhoven), geus: enne guis (Sint-Truiden), benaming voor elke ongelovige  ne geus (Tongeren), houdt zijn zondag niet: houdt zene zonnig nie (Sint-Huibrechts-Lille), ketter: ketter (Echt/Gebroek, ... ), schender: sgender (Meijel), zondag verknebbelen (ww.): zôndaag verknèbbele (Heel), zondagsschender: `ne zóndessjinder (Klimmen), dər zōndəssjɛndər (Montzen), inne zóndigssjinder (Nieuwenhagen), sônigsjchenner (Koningsbosch), zondaagssjender (Roermond), zondagschender (Eys), zondagschènnər (Loksbergen), zondagsschenner (Siebengewald), zondieg sjender (Kerkrade), zondigs sjender (Valkenburg), zondigschenner (Klimmen), zonjessjender (Lutterade), zoondagsjender (Maastricht), zoondagsjenner (Meerssen), zoondagssjenner (Maastricht), zŏndig schemer (Schimmert), zòndigsjenner (Hoensbroek), zòòndigsjenner (Posterholt), zôndaagschender (Baarlo), zondagwerker: zondegwirker (Ophoven) Iemand die zich niet houdt aan de zondagsrust (zondagschender). [N 96D (1989)] III-3-3