e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Gemmenich

Overzicht

Gevonden: 787

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(met) het hoofd stoten knotsen: knoetse (Gemmenich, ... ) stoten: het hoofd stoten (kinderwoord) [boetse, zijn eige boetse] [N 10 (1961)] || stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(zich) bukken (zich) bukken: böke (Gemmenich) bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
<naam> namensdag: `nā:mənstā.ch (Gemmenich) Naamensdaag: Namenstag. III-3-2
aanhoudend bepoetelen een handvol: [ingegeven door vraagstelling?]  en handvool (Gemmenich), een handvol krijgen: [ingegeven door vraagstelling?]  en haffel krie (Gemmenich) aanhoudend in de handen nemen [haffele, verhandvollen] [N 10 (1961)] III-1-2
aap aap: ā.p (Gemmenich) Aap: Affe. III-3-2
aardappel crompîre: krō.mpī.r (Gemmenich) Solanum tuberosum L. De algemene benaming voor het gewas en het produkt. Voor het lemma Aardappel is, naast de vragenlijsten voor het enkelvoud, ook gebruik gemaakt van opgaven voor het meervoud en voor samenstellingen. Voor vormen als jappel, jarpel, jatappel, ja(r)dappel is geen afzonderlijk type geconstrueerd. Ze zijn ondergebracht bij het type aardappel. Elper is opgevat als een metathesis-vorm van de variant erpel; en zo is ook jalper een metathesis van jarpel, zoals kelver voorkomt naast kervel en zulker naast zurkel. Indien niet uitdrukkelijk aangegeven, is het voor de varianten van de typen crompîre en grompeer niet uit de opgaven zelf op te maken of deze eind- dan wel begin-accent hebben. Volgorde in het type aardappel (V staat voor een klinker): 1. -rdVp- (-rtVp-) 2. -dVp- (tVp-) 3. -rVp- 4. -rp- (-rǝp-) 5. -p-. [N 12, 1-4; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 20, 1a; A 23, 17; L 1, a-m; L 1 u, 120; L B2, 354; L 2, 14; L 32, 4; L 34, 8; L 35, 77; L 43, 8; Lu 1, 17; R 3, 27; S 1; Gwn 9, 1; monogr.; add. uit N 18, 64; N M, 15-18; A 21, 1f] I-5
aardbei erbel: ēͅrbəl (Gemmenich) [DC GV (1935) M] I-7
aas in het kaartspel aas: ōͅ:s (Gemmenich) Oos2: As beim Kartensp. III-3-2
achterhand van het paard (het) achterste: ātǝštǝ (Gemmenich), achterhand: ātǝrhant (Gemmenich) Het achtergestel van een paard, in tegenstelling met de voorhand of het voorste deel (3.1.3), en het middendeel of de middenhand (3.3.5). [N 8, 13 en 32.9] I-9
achteruit terug-hu(j): tryk˱ hyi̯ (Gemmenich) Voermansroep om het paard achteruit te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95l en 96; L B 2, 254; L 36, 81b; monogr.] I-10