e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Gemmenich

Overzicht

Gevonden: 787

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bovenlip overste lip: der eveschte lép (Gemmenich) bovenlip [N 10b (1961)] III-1-1
braadworst braadworst: brotwaosj (Gemmenich) braadworst [N 06 (1960)] III-2-3
braaf braaf: brāf (Gemmenich), ⁄t keng es braaf (Gemmenich) braaf (wijs) [ZND 04 (1924)] || braaf, gezegd van een kind [N 06 (1960)] III-1-4
braambes bramelen: broͅmələ (Gemmenich) braam(bessen) [RND] III-4-3
braken kotsen: kootse (Gemmenich) overgeven, vomeren [speuwe, spaven, kitse, kotse, kalve, kalvere] [N 10 (1961)] III-1-2
breinaald strikdraad: strekdroot [štri̯.kdrō:t} (Gemmenich), striknaald: streknöld [štri̯.knölt} (Gemmenich) = strekdroot [Stricknadel] || Stricknadel III-1-3
breukhengst gebroken hengst: gǝbrǭkǝ hęŋs (Gemmenich) Een hengst waarbij door het castreren een darmuitstulping optreedt. [N 8, 61c] I-9
brief brief: bre:f (Gemmenich) brief [RND] III-3-1
broek: algemeen boks: bo.ks (Gemmenich), bots: Selten.  bo.ts (Gemmenich), broek: Boks ist viel häufiger.  brū:k (Gemmenich) boks1: Hose || bots = boks1 [i.e. Hose] || brook2: Hose III-1-3
broer broer: 1a-m; 4, 33; 5, 70a; 11, a1  bróór (Gemmenich) broeder (familielid) [ZND 01 (1922)] III-2-2