e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Gronsveld

Overzicht

Gevonden: 4947

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(blijven) plakken (blijven) hangen: hange (Gronsveld) lang in een café blijven zitten of lang bij iemand op bezoek blijven [plakken] [N 87 (1981)] III-3-1
(met) het hoofd stoten botsen: bōtse (Gronsveld, ... ) stoten: het hoofd stoten (kinderwoord) [boetse, zijn eige boetse] [N 10 (1961)] || stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(met) stevige benen stevige benen: sjtevige bejn (Gronsveld) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] III-1-1
(overige) kaartspelen jasselemangen?: jazzelemange (Gronsveld), miezelen: [Een kaartspel met troef en 5 kaarten in hand proberen van 25 punten naar 0 te gekomen....(dit is wel een zeer kort spelregel uitleg).  miezele (Gronsveld), schelepieteren: sjele pietere (Gronsveld), zevenschramen?: zievesjreume (Gronsveld) Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)] III-3-2
(zich) bukken (zich) bukken: bōkke (Gronsveld) bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
<naam> haan: hoͅən (Gronsveld), kotje: køͅtsjə (Gronsveld), mei: de mei sjteke (Gronsveld), mèij (Gronsveld), mei steken: de mei sjteke (Gronsveld) 2. Naamdag. || De voornaamste plaats in bepaalde spelen [heek]. [N 88 (1982)] || Feest vieren op de dag gewijd aan de heilige wiens naam men draagt [besteken]. [N 88 (1982)] III-3-2
[falie] rouwsjaal: rouwsjaal (Gronsveld) sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[foulard] foulard (fr.): &lt;Fr. foulard.  volaar (Gronsveld) vierkant halsdoek voor mannen III-1-3
[kazavek?] kavekje: kevêkske (Gronsveld), kazavek: korte nauwsluitende damesblouse  kasjevèk (Gronsveld) [kevêkske]: zie "kazjevêkske". || kasjevék, in de betekenis van vrouwenmantel; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] III-1-3
aaks aaks: ǭǝks (Gronsveld) Zware bijl met lange steel die wordt gebruikt om bomen te vellen. [N 50, 10b; N 75, 114d; L 32, 46; monogr.] II-12