e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L318b plaats=Tungelroy

Overzicht

Gevonden: 6382
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
akkersleep, weidesleep reep: ręi̯.p (Tungelroy), rijsjes: rīskǝs (Tungelroy), rijzer: rīzǝr (Tungelroy), sleep: slęi̯p (Tungelroy) Het toestel of werktuig waarmee men de akker en/of de weide sleept. Behalve de sleeptypen die door de afb. 89 t/m 95 worden voorgesteld, werd ook de omgekeerde eg als sleep gebruikt. Zo nodig verzwaarde men die met graszoden, een zak aarde of iets dergelijks. Vaak werd de sleepeg voorzien van berkenrijs, doorn- of braamtakken of prikkeldraad. Men kon deze tussen de egbalken door vlechten, onder de eg vastbinden of achter aan de eg bevestigen. Zulk een sleep gebruikte men vooral om pas gezaaid spurrie-, klaver-en graszaad slepend in de grond te brengen. Soms werd er ook een tarwe- of een aardappelveld mee bewerkt. De omgekeerde eg kon - al dan niet voorzien van rijshout e.d. - ook als weidesleep dienen, voor het slechten van molshopen, het fijner uitsmeren van verspreide mest en ter bestrijding van mosvorming. Men sleepte de akker of de weide soms ook wel met een grote bos berken- of andere takken, die men van voren bijeenbond of - gespreid - tussen twee balken klemde. Voor het ''sleep''-gedeelte van varianten verderop in het lemma zie men het simplex sleep aan het begin. In het lemma ''eg'' vindt men de waarde van het woord(deel ''eg'' resp. ''eg'' verklaard. [JG 1a+ 1b+ 1c+ 1d; N 11, 85; N 11A, 179 + 181b + c; N 14, 81; N 18, 22; N 27, 1a add.; N J, 10; N P, 17 + 18; N Q, 17; A 13, 16b; A 40, 10a + b; div.; monogr.] I-2
akkerwinde boekweitwinde: bogkeswîn(d)j (Tungelroy), -  bogkeswîn(d)j (Tungelroy), pispotje: pespotjǝ (Tungelroy), pispötje (Tungelroy, ... ), -  pispötje (Tungelroy), pispötjes (Tungelroy), tuitje: tuûtje (Tungelroy), (Convolvulus Tourn.)  tuûtje (Tungelroy), winde  tuûtje (Tungelroy) akkerwinde [DC 60a (1985)] || Akkerwinde (convolvulus arvensis 20 tot 120 cm hoge plant. De stengels groeien liggend of windend; de bladeren hebben een pijlvormige voet; de bloemen groeien afzonderlijk of 2 aan 2, de kleur is wit of roze met strepen; 2 kleine lijnvormige schutblader [N 92 (1982)] || Convolvulus arvensis L. Zeer algemeen voorkomend over de grond kruipend onkruid op bouwlanden en wegbermen met een tot 1 meter lange stengel en hart- tot pijlvormige blaadjes. De klokvormige bloempjes zijn lichtroze of wit met roze strepen. De plant bloeit van juni tot september en is meer bekend onder de naam pispotjes. Bij de naamgeving wordt vaak geen onderscheid gemaakt of vindt verwisseling plaats met de grotere, klimmende haagwinde (lemma Haagwinde). In dit lemma zijn uitsluitend die benamingen verwerkt die specifiek de akkerwinde benoemen. Zie Brok 1991. [A 17, 6b; A 60A, 93; L 17, 6; S 11; monogr.] || haag- en akkerwinde || winde I-5, III-4-3
akte akte: akte (Tungelroy), oefening: oefening (Tungelroy) Een oefening/akte/akt van geloof, hoop, liefde, berouw [üboeng]. [N 96B (1989)] III-3-3
allerheiligen alleheiligen: Alleheilige (Tungelroy), allerheiligen: Allerheilige (Tungelroy), allerheilige (Tungelroy) 1 november Allerheiligen [allerhillieje]. [N 96C (1989)] || Allerheiligen. [N 06 (1960)] III-3-3
allerzielen allerzielen: allerzeele (Tungelroy), Allerziele (Tungelroy), allerziele (Tungelroy, ... ) 2 november, Allerzielen [allerzieële]. [N 96C (1989)] || Allerzielen. [N 06 (1960)] III-3-3
alles kwijt blut: blut (Tungelroy), keps: keps (Tungelroy, ... ) Alles bij het spel verloren hebben [keps, kaps, baard, dod, pret, bluts, rits, rutsel, rut, rus, molk, mol, mot]. [N 88 (1982)] III-3-2
aloë aloè: -  aloee (Tungelroy, ... ) aloë (-) [DC 60a (1985)] III-2-1
alpinomuts baret (<fr.): baret (Tungelroy), muts: möts (Tungelroy), pats: pats (Tungelroy) alpino(muts) [patsj] [N 25 (1964)] III-1-3
alsem alsem: -  alsum (Tungelroy), els: -  aels (Tungelroy), èlske wordt ervan gemaakt  èls (Tungelroy), elst: elst (Tungelroy) alsem || Alsem (artimisia). De gehele plant is witviltig behaard; de stengels zijn onderaan houtig; de bladeren zijn zeer diep ingesneden met draaddunne slippen; de bloemen staan in kleine, gesteelde hoofdjes aan meestal overhangende takken, de kleur van de bloeme [N 92 (1982)] || bijvoet [DC 60a (1985)] III-4-3
altaar altaar (<lat.): altoar (Tungelroy) Een altaar [altaor, altooër, alter, outaar, outer?]. [N 96A (1989)] III-3-3