e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L372p plaats=Maaseik

Overzicht

Gevonden: 4905
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
balken onder de verhoogde tasruimte schoorsel: šursǝl (Maaseik) De balken die de verhoogde tasruimte naast de dorsvloer dragen. Zie de toelichting bij het lemma "tasruimte naast de dorsvloer" (3.3.2). Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (schuur) het lemma "schuur" (3.1.1). [N 5A, 70b] I-6
balken van de zolder boven de dorsvloer legerhouter: līgǝrhǫu̯tǝr (Maaseik), schelf(t)hout: šɛlǝfhǫu̯t (Maaseik) De zware rondhouten die op de gebintbalken boven de dorsvloer rusten en die de zoldervloer vormen. Deze zolder is een schelf, die ofwel altijd aanwezig is, ofwel elk jaar tijdens het bergen van de oogst gevormd wordt en weer verwijderd als hij leeg is. De rondhouten worden gelegd van het ene gebint naar het andere of dwars op de lengterichting van de beuk die de dorsvloer inneemt. De enkelvoudsvormen betreffen ofwel één van de balken of zijn collectief voor al de balken samen. Zie ook de lemmata "onderste" en "bovenste balken van de schelf" (3.4.2 en 3.4.3). Zie ook afbeelding 14.c bij het lemma "dorsvloer" (3.2.1). [N 5A, 68b; N 4, 35 en 68; N 4A, 13a en 13b; monogr.] I-6
balkenbrij balkenbrij: balkəbrē (Maaseik), bələkəbrøy (Maaseik), Syst. Frings  balkəbrei̯(i̯) (Maaseik), kruipuit: kru̞u̯wbu̞u̯t (Maaseik), krəbū.t (Maaseik), panharst: páneers (Maaseik), tuut: ty(3)̄ə.t (Maaseik) balkenbrij [Goossens 1b (1960)], [ZND 01 (1922)] || Balkenbrij (bombaalie?) [N 16 (1962)] III-2-3
balletje bij het bikkelen balletje: belkə (Maaseik), marmel: marməl (Maaseik) Het balletje of de knikker. [N R (1968)] III-3-2
balzak zak: zak (Maaseik) balzak, scrotum [zak, beurs] [N 10c (1995)] III-1-1
banden banden: bęŋ (Maaseik), pezen: pēzǝ (Maaseik) Een duidelijk zichtbare spierbundel even boven het begin van de staart aan weerskanten van het staartbeen, die zich ontspant wanneer de koe moet kalven. [N 3A, 111a] I-11
bandschort met borststuk hoge scholk: hūyə šolək (Maaseik), lange scholk: laŋə šolək (Maaseik) schort met borststuk en schouderbanden [schortel, scholk, sjutsel] [N 24 (1964)] III-1-3
bankbiljet briefje: ps. omgespeld volgens Frings.  ə brēfkə (Maaseik, ... ) bankbiljet, banknoot, een ~ [briefke?] [N 21 (1963)] III-3-1
barbeel berf: grote Maasvis met horentjes aan de bek  berf (Maaseik) barbeel (witvis) III-4-2
barensweeën ween: je wieje (Maaseik) Barenswee: periodieke pijnen die voorafgaan aan het baren (poos). [N 115 (2003)] III-2-2