e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L372p plaats=Maaseik

Overzicht

Gevonden: 4905
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bedevaart bedevaart: ein beivaart (Maaseik), bedeweg: bêweeg (Maaseik), ’nə bēͅjwîg (Maaseik) Bedevaart. [ZND 01 (1922)] || Een bedevaart. [ZND 21 (1936)] III-3-3
bedienen bedienen: bedeenen (Maaseik), eemes bedeenen (Maaseik), enen bedeenen (Maaseik) Hoe heet: iemand van de laatste Sacramenten voorzien? [ZND 32 (1939)] || Iemand in een winkel bedienen. [ZND 35 (1941)] III-3-1, III-3-3
bedorven ei rot ei: rǫt ē̜i̯ (Maaseik) [N 19, 54d; L 6, 39; S 31; monogr.] I-12
bedriegen bedriegen: bedrēgə (Maaseik), ook materiaal Leuv. lijst 21, vr 6a  bedreege (Maaseik), bedregen (Maaseik), bedrêge (Maaseik), bədrēgə (Maaseik), betokken: cf. VD s.v. "betoppen = bedotten, bedriegen  betókke (Maaseik), verneuken: vernuuke (Maaseik) bedriegen [ZND 01 (1922)], [ZND A2 (1940sq)] || bedriegen, bedotten || foppen, bedriegen III-1-4
bedrijfsgedeelte van het boerenhuis achteruit: axtǝrūt (Maaseik), stallen: stɛl (Maaseik), stalling: staleŋ (Maaseik), stallingen: staleŋǝ (Maaseik), stelling: stɛleŋ (Maaseik) Bedoeld wordt het geheel van stallen en schuur dat achter het woonhuis gelegen is. Bepaalde benamingen zijn specifieke termen voor het bedrijfsgedeelte. Andere opgaven daarentegen zijn algemener en geven daarmee aan dat er voor de bedrijfsgebouwen geen aparte benaming bestaat, ze zijn ook in gebruik voor de boerderij in het algemeen, geven een opsomming van de voornaamste bedrijfsgebouwen of -ruimten (vandaar ook veel meervoudsvormen), verwijzen naar een belangrijk deel van de bedrijfsruimten (zoals de binnenhof of de dorsvloer) of wijzen op dat deel van het complex dat direct aan het woonhuis aansluit (zoals het stookhuis). [N 5A, 31; N 5,126; monogr.] I-6
bedroefd droef: ook materiaal znd 23,33  dreuf (Maaseik), drø̄f (Maaseik), droevig: ook materiaal znd 23,33  dreuvig (Maaseik) droef [ZND 01 (1922)] III-1-4
bedsprei bedsprei: betsprēͅi̯ (Maaseik), sprei: sprē̝ͅi̯ (Maaseik) bedsprei [RND] || Een bedsprei met franjes [ZND 23 (1937)] III-2-1
beek beek: bīǝ.k (Maaseik) [Coe 16; Grof 30; Jan 97 add.; Jan 94 add.; Jan 92 add.; Vld] II-3
beeld beeld: beeld (Maaseik), bēlt (Maaseik), bêld (Maaseik), ə bēlt (Maaseik) Beeld. [Willems (1885)], [ZND 01 (1922)], [ZND m] || Een beeld. [ZND A1 (1940sq)] III-3-2
beeldhouwer beeldhouwer: beeldhouwer (Maaseik), steenkapper: steiënkepper (Maaseik) iemand die uit steen beelden maakt [beeldsteker, beeldhouwer, beeldenpikker] [N 112 (2006)] III-3-2