e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Genoelselderen

Overzicht

Gevonden: 593

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
akker akker: akǝr (Genoelselderen) Met het begrip ɛakkerɛ wordt in dit lemma bedoeld een bepaald begrensd stuk akkerland of bouwland. Veel respondenten uit Belgisch Limburg beschouwen perceel als een notariswoord. De woordtypen tarweland, haverland, bietenland, korenveld en koren duiden op een stuk land waarop een bepaald gewas wordt verbouwd.' [N 27, 2a; N 11, 1b; A 11, 4; A 3, 40; JG 1a, 1b, 1d; L 37, 11b; L 19b, 1a; Vld.; monogr.] I-8
akkerdistel, distel dissel: dissəl (Genoelselderen) distel [ZND 01 (1922)] III-4-3
akkergrens, grensvoor reen: rē̜.n (Genoelselderen) De grens tussen twee afzonderlijke akkers in de vorm van een diepe voor die met de ploeg getrokken wordt. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen øvoorŋ resp. øvoordŋ het lemma ɛploegvoorɛ (wld I.1, blz. 105-106).' [N 11, 56; N 11A, 120; JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2c; L B2, 268; L 24, 27; L 41, 24; monogr.] I-8
allerheiligen allerheiligen: allerheiligen (Genoelselderen), allərhelligə (Genoelselderen) Allerheiligen. [ZND 19A (1936)] III-3-3
alles kwijt plat: plat (Genoelselderen), van de tafel af zijn: bij het kaartspel  hè es vanne toffel oaf (Genoelselderen) Hoe heet iemand die alles bij het spel (bijvoorbeeld bij het knikkeren) heeft verloren? [ZND 29 (1938)] III-3-2
altaar altaar (<lat.): op den ēlter (Genoelselderen) Op het altaar (let op het geslacht!) [ZND 32 (1939)] III-3-3
andijvie andijve: andieve (Genoelselderen, ... ) [ZND 01 (1922)] [ZND 32 (1939)] I-7
angel nangel: naŋǝl (Genoelselderen) Het verdedigingsmiddel van de bij dat zich aan het achterlijf bevindt. Het is een scherp, hol spiesje, van weerhaakjes voorzien en verbonden met een gifblaasje. Hiermee steken moer en werkbij. De dar mist dit wapen. [N 63, 73a; L 32, 26; JG 1a+1b; monogr.] II-6
angel van bij of wesp angel: nangel (Genoelselderen) angel, van bij of wesp [ZND 32 (1939)] III-4-2
angelusklok bedeklok: de bêklok trik (Genoelselderen) De angelusklok luidt. [ZND 32 (1939)] III-3-3