e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Eisden

Overzicht

Gevonden: 3771

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aartsengel aartsengel: aartsèngel (Eisden) Een aartsengel (zoals Gabriël, Michaël, Rafaël). [N 96D (1989)] III-3-3
aas in het kaartspel aas: harten oas (Eisden), roeten aos (Eisden), schuppen aos (Eisden, ... ), u zoals in Franse un  uns (Eisden) Aas: harten aas (in het kaartspel). [ZND 19A (1936)] || Aas: ruiten aas (kaartspel). [ZND 06 (1924)] || Aas: schoppen aas (kaartspel). [ZND 06 (1924)] || Ik heb de vier azen. [ZND 19A (1936)] || Schoppen: schoppen aas (kaartspel). [ZND 06 (1924)] III-3-2
absis absis (lat.): absis (Eisden, ... ) De halfronde of meerhoekige uitbouw van het priesterkoor waarin het hoofdaltaar staat [absis]. [N 96A (1989)] III-3-3
absolutie absolutie (<fr.): absolutie (Eisden) Absolutie [abseloetsioeën]. [N 96D (1989)] III-3-3
abt abt: abt (Eisden), overste: euverste (Eisden) Een overste in een klooster, abt [euverste, opperste]. [N 96D (1989)] III-3-3
abuis mis: das mis (Eisden), dat es mis (Eisden), de bès mis (Eisden), geer zeet mis (Eisden), ook materiaal znd 19a,6  de bès mis (Eisden), geer zeet mis (Eisden), verkeerd: das es verkiert (Eisden) abuis [ZND 01 (1922)] || Dat is mis. [ZND 38 (1942)] || Ge zijt abuis (= ge vergist u). [ZND 19 (1936)] III-1-4
accu van petlamp accu: accu (Eisden  [(Eisden)]   [Maurits]) De accu van de petlamp die aan de gordel wordt bevestigd en door middel van een kabel met de petlamp is verbonden. [N 95, 252; monogr.] II-5
acculoog acid: asit (Eisden  [(Eisden)]   [Winterslag, Waterschei]) Het zuur waarmee de accu van de elektrische lampen is gevuld. [N 95, 254] II-5
achterblijvers, achtergebleven schoten slechte capsules: slechte capsules (Eisden  [(Eisden)]   [Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Winterslag, Waterschei, Eisden]) Niet ontplofte ladingen. De woordtypen "versager" (Q 111, Q 112a), "blindgänger" (Q 117a) en "achterblijver" (Q 112a) zijn meervoud. [N 95, 446; N 95, 447; div.] II-5
achterhaam achterhaam: axtǝrām (Eisden) Samenstel van riemen dat op het achterwerk van het paard wordt gelegd en dient om de kar achteruit te stoten. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 74; monogr.] I-10