e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Genk

Overzicht

Gevonden: 4982

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aardappelschil schil: šęl (Genk) Het velletje van de vrucht van de aardappel. [JG 1a, 1b; monogr.] I-5
aardappelstruik struik: strǫu.k (Genk) Het geheel van de aardappelplant of aardappelbos: wortels, stengels. bladeren en bloemen. In het lemma en op de kaart is aangetekend waar zich de opvallende monoftong /u/ bevindt in struik, terwijl men een diftong of palatalisering zou verwachten; zie Stevens 1951, 249. Voor de fonetische documentatie van de typen aardappel en patat, zie het lemma Aardappel. [N 12, 5; JG 1a, 1b; A 23, 17c; Lu 1, 17c; monogr.] I-5
aardbei elber: elbər (Genk), èlber (Genk), ɛlbər (Genk) [DC GV (1935) M] [ZND 19A (1936)]aardbei I-7
aarden aarden: hèè kos do nie oare Jònges oare no hinne piehtere, vrolie no hin poat  oare (Genk) aarden, gewennen III-1-4
aarden pot aarden pot: ɛrdǝ pǫt (Genk), stenen pot: stēnǝ pǫt (Genk) Aarden pot, bleekbruin van kleur. Dorren (Valkenburgs Woordenboek) merkt op pag. 15 over de term baar op: ø̄̄Naar de grootte onderscheidt men één-, twee- en drieschildersbaren, wijl ze gemerkt zijn met één, twee of drie schildjes (reliefstempels), met een inhoud van circa 20, 30 en 40 liter.ø̄̄ De driekroonse pot was een verglaasde pot voor het inmaken van zuurkool, braadworst en bonen. De pot was gemerkt met drie kroontjes en had een inhoud van 20 tot 50 liter. Het woordtype driekronenpot duidt waarschijnlijk een vergelijkbare pot aan. Zie hiervoor ook de toelichting bij het lemma ɛstroopvatɛ in wld II.2, pag. 59.' [N 49, 103b; L 1a-m; L 32, 15a; L 32, 15b; R 3, 5; S 1; monogr.] II-8
aardewerk aarden potten: ɛrdə poͅtə (Genk) aardewerk (eerdegoed, gleiwerk) [N 20 (zj)] III-2-1
aars kont: kǫ.nt (Genk), schijtkotje: schijtkiehtsje (Genk) [JG 1a, 1b; N 8, 13, 32.9 en 35]aars, darmuitgang [N 10c (1995)] I-9, III-1-1
aarsspleet spleet: spléét (Genk), voor: voor (Genk) aarsspleet tussen de billen [N 10c (1995)] III-1-1
aarzelen druppen: drèppe (Genk) aarzelen III-1-4
aas in het kaartspel aas: aozen (Genk), koken ōs (Genk), ōs (Genk), šōppənōs (Genk, ... ), aast: harten oost (Genk), harten ōͅst (Genk), ōͅste (Genk), Sjèppenoos.  oos(t) (Genk) Aas (kaartspel). || Aas: harten aas (in het kaartspel). [ZND 19A (1936)] || Aas: ruiten aas (kaartspel). [ZND 06 (1924)] || Aas: schoppen aas (kaartspel). [ZND 06 (1924)] || En hoe [noemt u van het kaarspel] de [verschillende] plaatjes? - I. Aas. [DC 52 (1977)] || Ik heb de vier azen. [ZND 19A (1936)] || Schoppen: schoppen aas (kaartspel). [ZND 06 (1924)] III-3-2