| 18580 |
meisjeshemd |
maagdjeshemd:
mègtjeshim (L282p Achel)
|
Meisjesondergoed, meisjeshemd [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 34454 |
mekkeren |
bleten:
blē̜tǝn (L282p Achel)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van de geit. [N 19, 76b; monogr.]
I-12
|
| 18125 |
melaatsheid |
melaats:
melaats (L282p Achel)
|
Melaatsheid: lepra, in de huid ontstaan knobbels; de ziekte kan tot afschuwelijke verminkingen leiden (leproosheid, lepra, melaats, lazerij). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 22800 |
melden (kaartterm) |
aanduiden:
aanduiden (L282p Achel),
melden:
ich melt kliejeveren (L282p Achel)
|
Melden. (in welke betekenis wordt dat woord gebruikt? Geef de uitdrukking waarin het voorkomt, b.v. bij het kaartspelen, enz.). [ZND 38 (1942)]
III-3-2
|
| 33294 |
melganzevoet |
mel:
mel (L282p Achel)
|
Chenopodium album L. Zeer algemeen voorkomend onkruid op braakliggend land en bouwland, vooral bij sterke bemesting, en met name ook waar pulpkuilen gestaan hebben. Het heeft witte bloemtrosjes, die van juli tot de herfst bloeien, en bladeren die van boven dof en van onder wit-melig zijn. De hoogte varieert van 15 tot 120 cm. [JG 1a, 1b; A 60A, 83; monogr.]
I-5
|
| 34237 |
melk |
melk:
męlǝk (L282p Achel),
mɛ.lǝk (L282p Achel),
romen:
ruǝmǝn (L282p Achel)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 33882 |
melk van het paard |
zok:
zōk (L282p Achel)
|
De biest- of paardsmelk bevat ingrediënten die het veulen tegen verscheidene ziekten weerstand geven en die er bovendien voor zorgen dat het darmpek, de taaie, donkere substantie die zich in de darmen van het pasgeboren veulen bevindt (zie het lemma ''de eerste uitwerpselen van het veulen'' (5.7)), verwijderd wordt.' [N 8, 32.6 en 57]
I-9
|
| 34095 |
melkaders |
melkaderen:
mɛlkǭǝrǝn (L282p Achel)
|
De aders langs de buik naar de uier. [N 3A, 118a]
I-11
|
| 34246 |
melkafromer |
afromer:
ā.frumǝr (L282p Achel),
āfrumǝr (L282p Achel),
āfruǝmǝr (L282p Achel),
melkafdraaier:
męlǝkāfdrɛi̯ǝr (L282p Achel)
|
De afromer scheidt de roomlaag van de melk. Dit scheiden kan gebeuren door een grote schuimspaan of een houten lepel te gebruiken. Met een houten latje kan men room tegenhouden, terwijl de ontroomde melk door de tuit van de in schuine stand gehouden plateel of teil vloeit. Men kan de room eenvoudig met een vinger wegdoen of men kan die wegblazen. Moderner is de scheiding van room en melk met een melkmachine of centrifuge. [N 12, 57 en 58; JG 1a, 1b; A 23, 3; monogr.]
I-11
|
| 21288 |
melkboer |
melkboer:
mɛləgbû:r (L282p Achel)
|
melkboer [RND]
III-3-1
|