| 26440 |
maalstoel |
maalstoel:
mā.lstō.l (L417p As)
|
Het stelsel van balken waarop de molenstenen rusten. Volgens Janssen (pag. 131) werd zoɛn maalstoel in watermolens vooral gebruikt in kleine molens, waar de stenen zich op de benedenverdieping bevonden.' [N O, 18u; Jan 254; Coe 232; Grof 260; monogr.; N O, 27b]
II-3
|
| 20593 |
maaltijd in de voormiddag |
tienurenkant:
tien-ōre-kànt (L417p As),
tweede koffie, de -:
twiede koffie (L417p As)
|
de tweede maaltijd, later in de voormiddag [ZND 40 (1942)] || maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26576 |
maalvlak |
maalvlak:
mālvlak (L417p As)
|
Dat gedeelte van het steenoppervlak dat het eigenlijke maalwerk verricht. Volgens Vanderspickken (pag. 41) worden de buitenste 15 tot 20 cm van de steen als maalvlak beschouwd. [N O, 18a; Vds 192; Jan 195; Coe 161; Grof 193; N O, 18a; A 42A, 33]
II-3
|
| 22320 |
maandag na driekoningen |
verloren maandag:
verloere maondig (L417p As)
|
De naam voor de maandag na Driekoningen [koppermaandag, verloren maandag, floramaandag]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22438 |
maandag voor aswoensdag |
verloren maandag:
verloere maondig (L417p As, ...
L417p As)
|
de naam voor de maandag vóór aswoensdag [N 112 (2006)] || De naam voor de maandag vóór aswoensdag. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17671 |
maantje op de nagel |
nagelrand:
nāgelrànk (L417p As)
|
maantje: Lichter gekleurd gedeelte onderaan de vingernagels (maantje). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 25162 |
maanx |
maan:
moan (L417p As, ...
L417p As),
verkl.w.: mèènke. (betekent ook: kleine Herman). nieuwe maan: nûw leecht; halve gare: èè moankauf; dromerig, verstrooid persoon: eine moaneiger.
moan (L417p As)
|
maan [ZND 01 (1922)], [ZND 30 (1939)]
III-4-4
|
| 33107 |
maat houden bij het dorsen |
slaghouden:
slā.xhau̯ǝ(n) (L417p As)
|
Wanneer men met meer dan één man dorst, moet men goed de maat houden; zie ook de algemene toelichting bij deze paragraaf. In dit lemma staan de benamingen voor dit houden van de juiste maat bijeen. De uitdrukking boekweit dorsen, of beter: boekweitkoek dorsen of - slaan (en heteroniemen, zie het lemma ''boekweit'', 1.2.10) betekent doorgaans: "ritmisch, op maat dorsen"; de term is een onomatopee. Soms ook betekent de uitdrukking dat alle dorsers tegelijk slaan ten teken dat het dorsen klaar is. In L 326 merkt de zegsman opdat deze uitdrukking "verkeerd dorsen" betekent. Trompen is wel de benaming voor het ritmisch luiden van de kerkklok; vergelijk ook het type luiden zelf. Voor de fonetische documentatie van het woord [dorsen], zie het lemma ''dorsen'' (6.1.1).' [N 14, 12 en 14b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 25249 |
maat, algemeen |
maat:
maot (L417p As),
pegel:
(= maat v.d. waterstànd).
pēgel (L417p As)
|
de eenheid waarmee lengten, inhouden etc. worden gemeten, in het algemeen [maat, pegel] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 28852 |
machinegaren |
stikgaren:
stekgārǝ (L417p As)
|
Fijner soort garen die men gebruikt bij het naaien op de naaimachine. [N 59, 6c; N 62, 57; monogr.]
II-7
|