| 21348 |
nors |
bars:
bàrs (L417p As),
knorrig:
knórrig (L417p As),
kort gebonden:
kòrtgebónne (L417p As),
kortaf:
kòrtaaf (L417p As)
|
onvriendelijk, stuurs, nors, bars [aling, strak, grenniog, stom, bars, stuurs, nors, zuur] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 21122 |
noten afslaan |
afkluppelen:
WBD/WLD é leunt aan bij ö
aafkléppele (L417p As)
|
Noten afslaan (boeken, beuken slaan, rammelen, sloesteren). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 33501 |
notendop |
schaal:
WBD/WLD
sjaal (L417p As)
|
De harde huid van een noot (bast, bolster, sloester, schaal, hulster, boost, bluster, boets, schulp, schelp, snoester). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 21706 |
notulen |
verslag:
verslaag (L417p As)
|
het korte schriftelijke verslag van hetgeen behandeld is in een vergadering [notulen, nouten] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19299 |
nutteloze arbeid verrichten |
zich moede maken op niks:
zich meeg māke op niks (L417p As)
|
nutteloze arbeid verrichten [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18938 |
obstakel |
hindernis:
hindernis (L417p As),
hinderpaal:
hinderpaol (L417p As)
|
iets dat het tot een einde brengen van een handeling in de weg staat [ongerief, mishand] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24903 |
ochtend (vanmorgen |
de tijdsduur van het aanbreken van de dag tot 12 uur s middags [morgend, morgen, voornoen, ochtend]:
vīērmiddig (L417p As),
vīērnoon (L417p As),
ochtend:
dize mĕrge (L417p As)
|
s morgens) [N 91 (1982)], [ZND 39 (1942)]
III-4-4
|
| 24947 |
oever |
kant:
kànt (L417p As)
|
oever, zoom van het land aan elk van de beide zijden van het water van een rivier, meer enz [kant, wal] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 23408 |
offerblok |
offerblok:
offerblok (L417p As)
|
Het metalen (vroeger houten) kastje, aangebracht bij de kerkuitgan(en) en/of bij een heiligenbeeld, waarin men geld kan deponeren [godsblik, offerstok, offerblok, offerbus, offerkist?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23409 |
offergeld |
offergeld:
offergeld (L417p As)
|
Het geld dat men in het offerblok stopt [offergeld?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|