| 32235 |
sluif |
buis:
būs (L417p As)
|
Het om beide uiteinden van de trekschei bevestigde platte, rechthoekig gebogen ijzer waaraan de trekkettingen of trekstrengen worden vastgemaakt. Zie ook de lemmata ɛtrekscheiɛ en ɛuitstekende delen van de trekscheiɛ in wld I.13, pag. 42 - 43.' [JG, 1a]
II-12
|
| 17836 |
sluimeren |
indoezelen:
endŏĕzele (L417p As),
indommelen:
endómmele (L417p As)
|
middagdutje doen (dutten). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17933 |
sluipen |
eruit muizen:
#NAME?
t`r ówtmóuze (L417p As),
ervanonder muizen:
#NAME?
d`r van ónner móuze (L417p As),
ervanonder pissen:
#NAME?
d`r van ónner pisse (L417p As),
kruipen:
króupe (L417p As)
|
Sluipen: zich in alle stilte voortbewegen zodat niemand het merkt (sluipen, kruipen, slippen, gluipen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21174 |
sluis |
sluis:
slóws (L417p As)
|
de inrichting waardoor twee wateren naar believen gescheiden of met elkaar in verbinding gebracht kunnen worden (sluis, erk, sas) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21175 |
sluisdeur |
sluis:
slyz (L417p As),
sluisdeur:
slówsdīēr (L417p As)
|
het ophijsbare deel van een sluis (schoft) [N 90 (1982)] || Sluisdeur, bestaande uit een vijftal planken die horizontaal op twee vertikaal staande planken zijn bevestigd. Zie ook afb. 68. Volgens Janssen (pag. 33) werden de planken vroeger met pinnen -lange houten nagels met vierkante kop- op de balken vastgemaakt. Later werden de pinnen vervangen door grote ijzeren schroeven. [Vds 38; Coe 19; Jan 34; Grof 50; Grof 56; monogr.]
II-3, III-3-1
|
| 21176 |
sluismeester |
sluiswachter:
slówswàchter (L417p As)
|
de persoon die belast is met het toezicht op en het gebruik van een sluis, vooral van schutsluizen (sasmeester, sluismeester, sasser, sassenier) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 26373 |
sluisrooster |
rooster:
rē.stǝr (L417p As)
|
Inrichting die verhindert dat er vuil en takken in het sluiswerk terecht kunnen komen. Het geheel bestaat uit een aantal tegen de sluisbrug geplaatste palen of een ijzeren of houten raamwerk. Zie ook afb. 70. [Jan 57; Coe 37; Grof 75]
II-3
|
| 24943 |
sluiten (van grond) |
hel worden:
(hel wéére) (L417p As)
|
hard worden, gezegd van aarde [vervloeren, sluiten] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 18542 |
sluitklep |
gaar:
gaar (L417p As),
schuurpoort:
sjīērpōērt (L417p As)
|
deze klep (klep, presenteer blad) [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 33957 |
sluitriem |
leertje:
lē̜rkǝ (L417p As)
|
Riempje waarmee de delen van het haamslot op hun plaats gehouden worden. [JG 1a; N 36, 13]
I-10
|