| 20512 |
soepvlees |
ribben:
rebə (L417p As),
soepvlees:
sòpvlèjs (L417p As)
|
rib van het varken die als soepvlees dient [Goossens 1a (1955)] || soepvlees; Hoe noemt U: Mager vlees om soep van te koken (boelie, bouilli, soepvlees) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21287 |
soldaat |
soldaat:
səldo.ət (L417p As)
|
soldaat [RND]
III-3-1
|
| 21289 |
soldaten |
leger:
lēger (L417p As),
soldaten:
soldô.tə (L417p As)
|
algemene naam voor soldaten [volk, soldatenvolk, soldaterij] [N 90 (1982)] || soldaten [RND]
III-3-1
|
| 23488 |
soldatenkerkhof |
oorlogskerkhof:
uurlogskerkhef (L417p As)
|
Een soldatenkerkhof, oorlogskerkhof, militaire begraafplaats, ereveld, engels kerkhof e.d. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 31504 |
solderen |
aaneensolderen:
anēnsǫldērǝ (L417p As)
|
Twee of meer metalen delen door middel van soldeersel met elkaar verbinden. Het soldeersel is een metaal of een legering waarvan het smeltpunt lager ligt dan dat van de te verbinden metalen. Het wordt tijdens het solderen met behulp van een soldeerbout, een soldeerlamp, etc. verhit en vloeibaar gemaakt. De te verbinden vlakken worden vóór het solderen met een vloeimiddel gereinigd om het hechten van het soldeersel te vergemakkelijken en om oxidatie van het te solderen materiaal tegen te gaan. Zie ook het lemma "hardsolderen". [N 64, 28a; N 100, 19; L 7, 12; monogr.; N 33, 194 add.]
II-11
|
| 27585 |
solliciteren |
werk vragen:
wɛrk vrāgǝ (L417p As
[(Zwartberg / Waterschei)]
[Domaniale])
|
[N 95, 1001]
II-5
|
| 21739 |
soorten soldaten |
genie (<fr.):
zjènĭĕ (L417p As),
grenadier:
Van Dale: grenadier, 1. (eert.) soldaat die handgranaten wierp, (later) keursoldaat der infanterie.
grénadeer (L417p As),
kanonnier:
kànoneer (L417p As),
piot:
Van Dale: (gew. en Barg.) infanterist.
pĭĕjòt (L417p As)
|
welke verschillende soldaten onderscheidt u [piot, zandhaas, kalkvreter] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33222 |
sorteren met de hand |
onderrapen:
ǫnǝrā.pǝ (L417p As),
uitrapen:
ū.trā.pǝ (L417p As)
|
Vroeger werden vaak de grote van kleine aardappelen gescheiden bij het rapen zelf op het veld; zie de toelichting bij het lemma Aardappelmand. Tegenwoordig worden de aardappelen op de boerderij gesorteerd; niet meer met de hand maar met een sorteermachine. Zie het lemma Sorteermachine. [N 12, 31; JG 1a, 1b gedeeltelijk, 1c, 2c; monogr.]
I-5
|
| 29065 |
sousbras |
zweetlap:
zwęjtlap (L417p As)
|
Schuingesneden zemen of gummi lapje, in de armsgaten van japonnen en mantels gedragen tegen het doorzweten in de oksels. [N 59, 132]
II-7
|
| 34576 |
spaak |
speken:
spęi̯.kǝ (L417p As)
|
Elk van de houten staven die de verbinding vormen tussen de velg van het wiel en de naaf. Afhankelijk van de omtrek van het wiel zijn er tien tot zestien spaken. Er zijn twee soorten spaken: ronde en platte. Voor zover ze specifieke benamingen krijgen, worden ze behandeld onder A resp. B. [N 17, 61a-b + 62a-b; N 18, 99; N G, 44a; JG 1a; JG 1b; JG 2b; S 34; A 4, 20b; L 20, 20b; L 7, 13; monogr.]
I-13
|